Kansengelijkheid – Wat is nodig voor beter cultureel-sensitief reageren?

Onder kinderen van allochtone komaf wordt hoogbegaafdheid minder snel vastgesteld dan bij autochtone kinderen. Wat kunnen we doen om dat te veranderen? Gemiddelde kinderen bestaan niet, maar we zijn biologisch geprogrammeerd om kinderen in hokjes te plaatsen. Wat kun je doen om beter cultureel-sensitief te reageren?

Martin van Rooij interviewt in deze video Sima de Bruyn-Daoud (Directeur Stichting iQ+) over het thema Kansengelijkheid.

Kansengelijkheid – Maatwerk moet mogelijk zijn

blank

Welk onderwijsbod kun je bieden aan dubbel-bijzondere kinderen? Wat goed is voor de een, is ook goed voor de ander. Wat kun je doen aan maatwerk? Wat doe op scholen met nieuwkomers?

Martin van Rooij interviewt in deze video Joost van Caam (directeur-bestuurder SWV-PO, Amsterdam Diemen) over het thema Kansengelijkheid.

Kansengelijkheid – Kansengelijkheid en inclusie

blank

Vergroot je de kansenongelijkheid als je focust op hoogbegaafdheid? Wat is het effect van voltijds HB-klassen? Vergroot je dan de segregatie? Kun je begaafdheidsonderwijs in een reguliere context verzorgen, dus in een voltijds aanbod in een brede context?

Martin van Rooij interviewt in deze video Joost van Caam (directeur-bestuurder SWV-PO, Amsterdam Diemen) over het thema Kansengelijkheid.

Kansengelijkheid – Logisch redeneren

blank

Onder logisch redeneren verstaan we het vermogen om je te richten op een taak waarbij je stap voor stap mentaal doorneemt wat je moet doen om de taak te kunnen verrichten. Je bekijkt dus wat de situatie is, weegt af wat er gedaan moet worden en komt dan tot een logische conclusie.

Een test om het vermogen om logisch redeneren te meten, laat je onder tijdsdruk een reeks opgaven maken waarbij je vermogen om conclusies te trekken, en de nauwkeurigheid waarmee je de taak aanpakt en oplost, in beeld wordt gebracht.

Kansengelijkheid – Leerlingen vergelijken met een lokale normgroep

blank

Op het moment dat je leerlingen vergelijkt met een lokale normgroep (bijvoorbeeld met andere leerlingen op een school) zullen niet alle leerlingen die boven het gemiddelde, of zelfs ver boven het gemiddelde uitsteken, kinderen zijn met kenmerken van begaafdheid. Maar als je de educatieve behoeften van deze leerlingen afzet tegen het onderwijsaanbod op de school, dan kan het wel zo zijn dat deze leerlingen meer aankunnen dan het bestaande aanbod van hen vergt. Door deze leerlingen andere leerstof aan te bieden, kom je dan beter tegemoet aan hun educatieve behoeften.

Kansengelijkheid – Fluïde intelligentie

blank

Fluïde intelligentie is een vakterm waarmee het vermogen tot abstract redeneren wordt omschreven. Bij abstract redeneren gaat het om het herkennen van onderliggende relaties tussen visuele objecten en het herkennen van logische regels en aan de hand waarvan je dan logisch kunt redeneren.

Deze vorm van intelligentie geeft een beeld van de algemene leervaardigheden van een leerling en een beeld van in hoeverre een leerling over vaardigheden beschikt om die verbanden dus te kunnen ontdekken en te gebruiken om tot handige oplossingen te komen.

Als een leerling problemen heeft met het fluïde redeneren dan kan dit soms zichtbaar worden doordat er problemen zijn met verhaaltjessommen, het onder de knie krijgen van rekenprocedures, maar ook met begrijpend lezen of het maken van een geschreven tekst zoals in een opstel.

Kansengelijkheid – Gekristalliseerde intelligentie

blank

Gekristalliseerde intelligentie is de vakterm voor kennis die kinderen in hun eigen cultuur hebben aangeboden gekregen en ook kunnen toepassen. Taalontwikkeling is daar een goed voorbeeld van.

Kinderen die opgroeien in een gezin met een rijk taalgebruik zullen met een heel andere woordenschat de school binnenkomen dan kinderen die niet zo’n achtergrond hebben. Kinderen die tijdens een onderzoek laag scoren op dit testonderdeel kunnen problemen laten zien bij bijvoorbeeld het lezen, maar ook als zij tijdens bijvoorbeeld een kringgesprek of een presentatie aan het woord zijn.

Nu wordt het lastig als die leerling opgroeit in een gezin met wél een rijk taalgebruik, maar waarbij er een andere taal wordt gesproken dan op school of dan het intelligentieonderzoek meet. Er zou dan ten onrechte geconstateerd kunnen worden dat er maar weinig kennis is, terwijl als je de leerling in de thuistaal zou bevragen, je een veel beter zicht krijgt op al die aanwezige kennis. Omdat gekristalliseerde intelligentie aangeleerd is, is dit dus ook veranderlijk.