Een ambigue figuur is een afbeelding die op meerdere manieren geïnterpreteerd kan worden, waardoor het brein soms twee verschillende beelden tegelijk ziet. Het begrip “ambigue” betekent letterlijk dubbelzinnig. Deze figuren bevatten visuele elementen die meer dan één betekenis kunnen hebben en de waarneming kan wisselen tussen de mogelijke interpretaties. Ambigue figuren worden vaak gebruikt in psychologie en kunst om waarneming, aandacht en cognitieve processen te bestuderen. Voorbeelden zijn de Necker-kubus, het klassieke jonge/oude vrouw-illusie en de konijn/duif-illusie. Ze laten zien dat waarneming subjectief is en dat het brein actief interpreteert wat het ziet.
Wat verstaan we onder… activatieniveau?
Psychologen verstaan onder activatieniveau de mate van alertheid, opwinding of fysiologische en mentale paraatheid van een persoon. Het beïnvloedt hoe goed je je aandacht kunt richten, informatie verwerken en reageren op prikkels. Een te laag activatieniveau kan leiden tot slaperigheid, desinteresse of passiviteit, terwijl een te hoog activatieniveau kan zorgen voor spanning, stress of overprikkeling. Het optimale activatieniveau verschilt per persoon en taak: voor complexe taken is vaak een gematigd niveau effectief, terwijl voor eenvoudige, routineuze taken een hoger activatieniveau kan helpen om gemotiveerd en alert te blijven.
Differentiatie – Taxonomie van Bloom
De taxonomie van Bloom brengt een ordening aan in de denkvaardigheden die we in het onderwijs van leerlingen vragen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in lagere orde denkvaardigheden en hogere orde denkvaardigheden. Lagere orde denkvaardigheden zijn: herinneren, begrijpen en toepassen. Hogere orde denkvaardigheden zijn analyseren, evalueren en creëren. Een taak wordt complexer naarmate de denkvaardigheid die we van de leerlingen vragen om de taak uit te kunnen voeren, opklimmen in de ordening die de taxonomie heeft aangebracht.
Wat verstaan we onder… divergente differentiatie?
Bij divergente differentiatie wil je van optimale leermogelijkheden voor alle leerlingen scheppen. Dit kan door het onderwijs af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van elk kind, bijvoorbeeld door leerstof op maat te bieden of in te spelen op verschillen in leertempo, leervoorkeuren, leerpotentieel en interesses. Bij divergente differentiatie kunnen leerlingen met kenmerken van begaafdheid werken aan complexere leerdoelen, andere type opdrachten of leervragen, waardoor zij uitgedaagd worden en gemotiveerd blijven om te leren. Hiervoor is het niet altijd nodig om het hele curriculum, alle opdrachten of lesmaterialen te veranderen. Zo kan er bijvoorbeeld gewerkt worden met specifieke vormen van feedback met variatie in complexiteit en niveau, gevarieerd worden in de mate van zelfstandigheid waarmee leerlingen aan een taak werken of gedifferentieerd worden in de mate van inhoudelijke verdieping.
Wat verstaan we onder… convergente differentiatie?
Bij convergente differentiatie streef je ernaar dat alle leerlingen de minimale leerdoelen behalen. Dat wil zeggen dat er op een bepaalde hoogte een ‘lat’ wordt gelegd waar alle leerlingen aan zouden moeten voldoen. Dat gaat echtervaak ten koste van de tijd en aandacht voor leerlingen met kenmerken van begaafdheid. Onderzoek van Van den Berg uit 2018 toont aan dat deze leerlingen door convergente differentiatie worden afgeremd in leertempo en ontwikkelpotentieel. Hornstra en anderen constateren dat dit nadelige gevolgen heeft voor hun schoolprestaties, motivatie en schoolgerelateerd welbevinden.
Wat verstaan we onder… paradigma?
Het begrip paradigma verwijst naar een verzameling van theorieën die verschijnselen in de praktijk kunnen verklaren of die in de praktijk het handelen onderbouwen. In het huidige onderwijskundige paradigma ligt er een groot accent op zelfregulatie, leren creatief te denken en tot oplossingen te komen, samen werken, eigen initiatief et cetera.
Wat verstaan we onder… scaffolding?
Bij scaffolding werk je met een didactiek die specifiek gericht is op het stapsgewijs ondersteunen van de leerling bij het verwerven en toepassen van kennis een vaardigheden. Het Engelse woord scaffold betekent letterlijk steiger. En elke steiger is, als het goed is, tijdelijk van aard. Elke keer als de leerling laat zien weer een stapje verder gekomen te zijn, kun je voor dat specifieke onderdeeltje de ondersteuning weer afbouwen.
Het kenmerk van een goede steiger is dat deze niet alleen ondersteuning biedt, maar dat die ondersteuning precies aansluit bij wat er nodig is. Dat begint bij het vaststellen van een beginsituatie: Wat weet de leerling en kan de ook leerling inzetten?
Vervolgens controleer je, of je het beroep dat de leerling op je doet, ook goed hebt begrepen. Dus als de leerling een vraag stelt, dan ga je na of dat ook echt de vraag is. Vervolgens kun je dan aan de hand van gerichte instructie, het stellen van handige denkvragen en het geven van feedback de leerling verder helpen in zijn leerproces. De laatste stap is dat je nagaat of de leerling ook echt uit de voeten kan met de kennis en vaardigheid die zo is ontwikkeld.
Wat verstaan we onder… trauma?
De term trauma gebruiken we als iemand na een ervaring sterke gevoelens van angst, verdriet eenzaamheid of woede ervaart en die gevoelens blijven bestaan, ook als de gebeurtenis al (veel) langer geleden is. Zo’n ervaring is dan voor iemand zo ingrijpend geweest dat het voor die persoon niet mogelijk is om er mee om te gaan.
Onder een t-trauma (een trauma met een kleine t) verstaan we een opeenstapeling van negatieve ervaringen. Bij elk van die ervaringen worden gevoelens van angst, verdriet, boosheid, machteloosheid ervaren. Deze ervaringen hoeven op zichzelf nog niet heel groot geweest te zijn, maar juist door de opeenstapeling van een (langlopende) reeks van dergelijke ervaringen ontstaat er ook een opeenstapeling van de emoties. Het resultaat van die opeenstapeling kan even heftig zijn als het resultaat van een trauma met een grote T.









