Wat verstaan we onder… onderleren/onderpresteren?

Onderleren en onderpresteren hebben met elkaar te maken, maar zijn wel twee verschillende dingen.

Onder onderpresteren verstaan we minder presteren dan je op grond van een vermeend ontwikkelingspotentieel zou kunnen, waarbij een deel van deze leerlingen ook beneden het groepsgemiddelde presteert.

Onder onderleren verstaan we leerlingen die minder leren dan dat ze op grond van hun ontwikkelingspotentieel zouden kunnen. Er zijn leerlingen die ten opzichte van de gemiddelde leerlingen of de andere academisch sterke leerlingen nog steeds goed presteren, maar eigenlijk nauwelijks leren. Dat zijn de leerlingen die veelal hoog scoren en foutloos werken. Leerlingen die onderleren ervaren dat de context waarin zij op school functioneren onvoldoende een beroep doet op hun eigen capaciteiten en benoemen deze mismatch vaak als ze daarover in een veilige situatie in gesprek kunnen gaan.

Wat verstaan we onder… zelfregulerend leren?

Als leerlingen zelfregulerend leren dan stellen ze zelf hun doelen, selecteren ze zelf welke taken en opdrachten passend zijn om de gekozen doelen te behalen en organiseren zij hun eigen handelen zodanig dat dit ook realistisch en haalbaar is. Om dit te kunnen doen is de ontwikkeling van metacognitie (op een reflecterende wijze kunnen kijken naar je eigen (leer)gedrag) een eerste vereiste. Vervolgens is het meer in het algemeen kunnen reguleren van het eigen gedrag vereist en pas als dat goed is ontwikkeld kunnen leerlingen ook zelfregulerend leren.

Wat verstaan we onder… dynamisch testen?

Bij dynamisch testen wordt het leerpotentieel van een leerling beoordeeld door te onderzoeken in hoeverre een leerling gebruikmaakt van feedback of hints en op welke manier. Wat je eigenlijk wilt verkennen is in hoeverre de leerling zich kan ontplooien als deze op de juiste momenten en op de juiste manier instructie krijgt terwijl deze werkt aan taken in de zone van naastgelegen ontwikkeling.

Er zijn verschillende manieren om hier inzicht in te krijgen. Een veelgebruikte aanpak is om de leerling eerst een statische test aan te bieden (nulmeting) om in beeld te krijgen wat de leerling al kan en weet. Vervolgens wordt dan een dynamische test aangeboden waarbij de leerling feedback krijgt op de dingen die nog niet helemaal goed gaan. In een afrondende fase krijgt de leerling een vergelijkbare taak aangeboden (opnieuw via een statische test). Daarna wordt beoordeeld wat ‘de winst’ is die de leerling heeft behaald door de feedback die gegeven is.

Onderzoek van Resing en anderen toont aan dat deze manier van testen een betrouwbare indicator is en een betrouwbare voorspellende waarde heeft ten aanzien van individuele schoolprestaties.

Wat verstaan we onder… identiteit?

Identiteit is een best ingewikkeld begrip dat we toch veel gebruiken. Want wat is dat nu precies identiteit? Het ontwikkelen van je identiteit is een proces dat alle mensen doormaken. Tijdens dit proces vinden mensen uit wie ze zouden willen worden of zijn, of wie of wat ze juist nooit zouden willen worden of zijn. Het ontwikkelen van je eigen identiteit vereist interactie met de omgeving.
Een veel gebruikte omschrijving van identiteit is “een combinatie van kwaliteiten die maken dat het ene mens zich kan onderscheiden van andere mensen”. Het is een verzameling van “de onderscheidende kenmerken of persoonlijke ontwikkeling als het resultaat van psychologische identificatie”.

Psychologische identificatie is een proces waarin een mens eigenschappen en vaardigheden van een ander zichzelf eigen maakt en aanwendt juist omdat je die eigenschappen in die ander zo waardeert en denkt: “Zo zou ik ook wel willen zijn of willen kunnen handelen.”

Wat verstaan we onder… regievoerder?

Als een situatie rondom een leerling zorgelijk wordt en er tegelijkertijd meerdere personen bij de ondersteuning van de leerling betrokken zijn, is het prettig als een van die personen het vaste aanspreekpunt wordt voor alle betrokkenen. Zo iemand neemt dan de regie. De regievoerder is dan niet alleen een eerste aanspreekpunt, maar zorgt ook dat de communicatie tussen de verschillende partijen soepel blijft verlopen, dat iedereen op de juiste wijze over de juiste dingen wordt geïnformeerd.

Een regievoerder kan ouders ook ontzorgen. Ouders van een leerling die door omstandigheden niet meer naar school gaat of dreigt ui te vallen, hebben vaak al een heel lange weg met hun kind doorgemaakt. Daarbij spelen niet alleen praktische zaken een rol, maar spelen vooral emoties een belangrijke rol waardoor ouders soms ook gewoon even ‘op’ zijn. Op dat moment is het fijn als de regievoerder taken overneemt waardoor ouders ook weer even hun aandacht op andere zaken kunnen richten en hun rol terugschuift van ‘regelaar naar ouder’.

Wat verstaan we onder… zone van naastgelegen ontwikkeling?

De term Zone van naastgelegen ontwikkeling is afkomstig van Vygostki. Vygotski bedoelde daarmee taken waarvoor een leerling net een beetje op zijn tenen moet lopen maar die de leerling dankzij goede instructie en begeleiding tijdens het uitvoeren van de taak grotendeels zelfstandig kan verrichten. Om een taak aan te kunnen bieden in die zone van naastgelegen ontwikkeling moet een leraar dus heel goed zicht hebben op de beginsituatie van de leerling. Wat weet en kan de leerling al, welke kennis is nog niet aanwezig en welke vaardigheden moet de leerling gaan ontwikkeling. Het gat tussen wat de leerling al weet en kan en wat nieuwe informatie en nieuwe vaardigheden betreft is de omvang van de leerstap die de leerling moet gaan zetten. Hoe groter dat gat, hoe groter de leerstap, hoe kleiner het gat, hoe kleiner de leerstap.

Van leerlingen met kenmerken van begaafdheid weten we dat ze in het domein waarin ze het grootste ontwikkelingspotentieel hebben, ze ook de grootste leerstappen kunnen zetten. Maar dat betekent niet dat ze dat dus kunnen zonder een goede instructie en begeleiding. Het betekent ook niet dat ze automatisch in elk vak even grote leerstappen kunnen zetten. Het kan dus best zo zijn dat een leerling in het domein taal/lezen verhoudingsgewijs grotere leerstappen zou kunnen zetten dan in het domein rekenen. Uiteraard kan het omgekeerde ook het geval zijn en zijn er ook leerlingen die in alle vakken heel grote leerstappen kunnen zetten. Als de leerstappen te klein zijn, dan ervaren we veelal dat een leerling ‘erg gemakkelijk’ leert. Het gaat de leerling vaak goed af, met weinig fouten waardoor de leerling een gebrek aan uitdaging kan ervaren.

Wat verstaan we onder… executieve vaardigheden?

Executieve functies zijn de cognitieve processen die nodig zijn om je gedrag te sturen om een (school)taak goed uit te kunnen voeren. Daarbij gaat het om inhiberen (het kunnen onderdrukken van dominante reacties), shiften (je aandacht op iets anders kunnen richten als de situatie dat vereist) en updaten (het kunnen koppelen van nieuwe kennis aan bestaande kennis waardoor je ook je handelen kunt aanpassen). Executieve functies verwijzen vooral naar wat er in het brein gebeurt.

Executieve functies kunnen worden vertaald in executieve vaardigheden, dit is het handelen in de praktijk. De executieve vaardigheden kunnen we waarnemen, dat gaat om gedrag. Daarbij kun je denken aan zoiets als georganiseerd handelen, volgehouden aandacht, doelgericht gedrag, maar ook het reguleren van emoties en de zogenoemde metacognitieve vaardigheden waardoor een kind door inzicht te hebben in het eigen gedrag en handelen in staat is om bij te sturen op dat eigen gedrag.

De ontwikkeling van executieve vaardigheden wordt sterk bepaald door de noodzaak om die vaardigheden ook echt te moeten gebruiken. Kinderen die op school onvoldoende aangezet worden om taken in hun zone van naastgelegen ontwikkeling te verrichten, ervaren minder de noodzaak tot het inzetten van deze vaardigheden. Dit betekent dat als we willen dat leerlingen goede executieve vaardigheden ontwikkelen, wij van meet af aan de leerling onder passende begeleiding in die zone van naastgelegen ontwikkeling onderwijs moeten bieden

Wat verstaan we onder… educatieve behoeften?

Onder educatieve behoeften verstaan we alles wat een kind nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen. Daarbij kun je onderscheid maken tussen curriculaire behoeften, pedagogische behoeften en didactische behoeften. Curriculaire behoeften hebben betrekking op leerinhouden. Welke kennis en uit die kennis voortvloeiende vaardigheden heeft de leerling nodig om niet alleen nu maar ook straks te kunnen deelnemen aan de samenleving? Pedagogische behoeften zijn gericht op dat wat een kind nodig heeft om zich sociaal en emotioneel zo te kunnen ontwikkelen dat hij past in de samenleving en als actief lid straks aan die samenleving te kunnen deelnemen. Daarbij kun je denken aan een goede relatie met de leraar en medeleerlingen, maar ook aan het leren kennen van zichzelf door het ontwikkelen van inzicht in bijvoorbeeld eigen talenten. Didactische behoeften zijn de behoeften die een kind nodig heeft om leren mogelijk te maken. Daarbij kun je denken aan een goede instructie en begeleiding tijdens het maken van taken. Maar je kunt ook denken aan een goed ingerichte rijke leeromgeving waarin tot leren uitgedaagd wordt.

In Nederland wordt ook wel de term onderwijsbehoeften gebruikt. Daar waar het begaafde leerlingen betreft, wordt dit begrip ten onrechte soms eenzijdig ingevuld als ‘leerstofaanbod’ en het bevorderen van het “leren leren”. Daardoor wordt er onbewust een deel van de kinderlijke ontwikkeling minder actief aangesproken terwijl ook die ontwikkeling nodig is om straks goed in de wereld te kunnen staan.