Kansengelijkheid – Gekristalliseerde intelligentie

Gekristalliseerde intelligentie is de vakterm voor kennis die kinderen in hun eigen cultuur hebben aangeboden gekregen en ook kunnen toepassen. Taalontwikkeling is daar een goed voorbeeld van.

Kinderen die opgroeien in een gezin met een rijk taalgebruik zullen met een heel andere woordenschat de school binnenkomen dan kinderen die niet zo’n achtergrond hebben. Kinderen die tijdens een onderzoek laag scoren op dit testonderdeel kunnen problemen laten zien bij bijvoorbeeld het lezen, maar ook als zij tijdens bijvoorbeeld een kringgesprek of een presentatie aan het woord zijn.

Nu wordt het lastig als die leerling opgroeit in een gezin met wél een rijk taalgebruik, maar waarbij er een andere taal wordt gesproken dan op school of dan het intelligentieonderzoek meet. Er zou dan ten onrechte geconstateerd kunnen worden dat er maar weinig kennis is, terwijl als je de leerling in de thuistaal zou bevragen, je een veel beter zicht krijgt op al die aanwezige kennis. Omdat gekristalliseerde intelligentie aangeleerd is, is dit dus ook veranderlijk.

Wat verstaan we onder… scaffolding?

Bij scaffolding werk je met een didactiek die specifiek gericht is op het stapsgewijs ondersteunen van de leerling bij het verwerven en toepassen van kennis een vaardigheden. Het Engelse woord scaffold betekent letterlijk steiger. En elke steiger is, als het goed is, tijdelijk van aard. Elke keer als de leerling laat zien weer een stapje verder gekomen te zijn, kun je voor dat specifieke onderdeeltje de ondersteuning weer afbouwen.

Het kenmerk van een goede steiger is dat deze niet alleen ondersteuning biedt, maar dat die ondersteuning precies aansluit bij wat er nodig is. Dat begint bij het vaststellen van een beginsituatie: Wat weet de leerling en kan de ook leerling inzetten?

Vervolgens controleer je, of je het beroep dat de leerling op je doet, ook goed hebt begrepen. Dus als de leerling een vraag stelt, dan ga je na of dat ook echt de vraag is. Vervolgens kun je dan aan de hand van gerichte instructie, het stellen van handige denkvragen en het geven van feedback de leerling verder helpen in zijn leerproces. De laatste stap is dat je nagaat of de leerling ook echt uit de voeten kan met de kennis en vaardigheid die zo is ontwikkeld.

Kansengelijkheid – Stereotypen

Als we spreken over stereotypen dan verwijzen we eigenlijk naar breed gedragen opvattingen over de eigenschappen en gedrag van mensen.

Vaak zijn stereotypen ontstaan aan de hand van een enkele waarneming en groeien beelden die aldus ontstaan uit naarmate andere mensen zo’n beeld overnemen. Maar het gevaarlijke aan stereotyperingen is dat het helemaal niet zo hoeft te zijn dat de beelden ook echt kloppen met de eigenschappen en het gedrag van de totale groep die ermee beschreven wordt.

Zo wordt bij hoogbegaafde leerlingen vaak gezegd dat ze sociaal onhandig zijn, dat het leren hen vanzelf afgaat of dat ze allemaal zwakke executieve vaardigheden hebben. Maar wie objectief naar de doelgroep kijkt, zal ontdekken dat geen van deze eigenschappen gelden voor de hele doelgroep. Sterker nog voor géén van de genoemde eigenschappen is onomstotelijk bewezen dat ze gelden voor alle begaafden en evenmín is bewezen dat eventuele eigenschappen alleen veroorzaakt worden door de hoge intelligentie. Daarnaast zijn er evenveel kinderen die deze eigenschappen hebben zonder dat de ze hoogbegaafd zijn.

Denken in stereotypen kan kinderen onterecht in een positie brengen waarmee hen passend onderwijs wordt onthouden en daarmee wordt voor deze leerlingen de kansengelijkheid om tot leren te komen in gevaar gebracht.

Schooluitval – Wacht niet tot het misgaat

Interview met Wanda Glebbeek (jeugdhulpverlener en hoogbegaafdheidsspecialist bij Atalanta) over preventie en het herkennen van signalen. We wachten vaak met interventies tot het echt misgaat.

Deze video is gemaakt door het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid voor de brochure ‘Thema 8; Uitval in het onderwijs van (hoog)begaafde leerlingen’ en onderdeel van een serie interviews door Martin van Rooij met (ervarings)deskundigen op dit thema.

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Emotionele ontwikkeling

Met emotionele ontwikkeling bedoelen we de ontwikkeling van het vermogen je emoties en gevoelens te begrijpen en er op constructieve wijze mee om te kunnen gaan. Emoties zijn instinctief en sturen je gedrag aan. Je bent bang en dat zorgt ervoor dat je hard weg rent. Gevoelens zeggen iets over hoe je het beleeft: vond je het spannend, was je angstig of had je blinde paniek? Gevoelens worden onder andere gevormd door eerdere ervaringen en bijvoorbeeld culturele normen en waarden. In welke mate sta je open voor prikkels, hoe reageer je er op en hoe waardeer je wat er gebeurt? Je ontwikkelt daarmee een eigen visie en waardesysteem. Belangrijk in de emotionele ontwikkeling is het herkennen, begrijpen, verwoorden, uiten en reguleren van je eigen emoties en gevoelens. Als je dit goed kunt, draagt dat bij aan alle andere ontwikkelingsgebieden.

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Emotieregulatie en executieve functies

Emotieregulatie is een factor die samenhangt met een andere bekende parapluterm: de executieve functies. Executieve functies gaan over de complexe en brede processen die nodig zijn om doelgericht acties uit te voeren. De drie kernfuncties zijn werkgeheugen, cognitieve flexibiliteit en inhibitie. Inhibitie – het vermogen eigen gedrag en gedachten op tijd te stoppen – hangt nauw samen met zelfregulatie: het reguleren van eigen emoties, gedrag en gedachten. In het geval van emotieregulatie leer je je eigen emoties op de juiste wijze te sturen en verwerken, zodat ze je niet belemmeren in je handelen. Natuurlijk hangt dit samen met je vermogen je gedachten en je gedrag te sturen. De inhibitie maakt een snelle en gevoelige ontwikkeling door in de voor- en vroegschoolse periode, waardoor problemen in de ontwikkeling van inhibitie ook op latere leeftijd een rol kunnen blijven spelen. Er is overigens geen relatie tussen intelligentie en inhibitie in aanleg; ook hier is het de omgeving die bepalend is voor de ontwikkeling en eventuele knelpunten.

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Emotionele intensiteit

Met emotionele intensiteit bedoelen we het intens beleven van de wereld en je eigen emoties en gevoelens. Dit heeft raakvlakken met hoogsensitiviteit: hoogsensitieve mensen zijn gevoeliger voor prikkels, dus ook voor emotionele prikkels. Dat kan in een niet passende omgeving leiden tot bijvoorbeeld overprikkeldheid, stress en bijvoorbeeld angst of depressie. In de big five vinden we dit in twee factoren terug. De eerste factor is openheid: de mate waarin je open staat voor nieuwe ideeën, gebeurtenissen enzovoort. De tweede factor is stabiliteit: in hoeverre ben je gevoelig voor emotionele instabiliteit en negatieve gevoelens als angst, depressie, zelftwijfel en irritatie. Intensiteit en stabiliteit is dus niet hetzelfde: je kunt intens en tegelijk stabiel zijn, maar ook intens en minder stabiel. Ook de emotionele woordenschat speelt een rol: op het moment dat je je gevoelens genuanceerder kan verwoorden, kan het lijken alsof je meer verschillende emoties ervaart dan iemand die een minder grote emotionele woordenschat heeft.

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Sociale ontwikkeling

Sociaal functioneren gaat over de manier waarop een mens relaties met andere mensen aangaat, hoe interactie met anderen plaatsvindt, over vriendschappen, intieme relaties en ook over het moreel redeneren en gedrag, bijvoorbeeld over wat hoort of niet hoort.
De sociale ontwikkeling draagt bij aan de emotionele ontwikkeling en omgekeerd. Om sociaal goed te kunnen functioneren is emotioneel welbevinden nodig, maar emotioneel welbevinden wordt ook weer beïnvloed door de mate waarin en de wijze waarop een mens de kans heeft om sociaal goed te functioneren. Begaafde kinderen lopen soms in hun sociaal functioneren voor op leeftijdgenoten waardoor die aansluiting moeilijk realiseerbaar is een situatie waarin ze functioneren in een leerstofjaarklas. Daardoor kan het zijn dat de leerling minder sociale contacten in die betreffende groep heeft. Soms gaan kinderen dan zoeken naar oudere kinderen, zodat ze een betere cognitieve aansluiting gaan vinden. In andere gevallen zien we soms dat kinderen aansluiting gaan zoeken met jongere kinderen omdat juist deze jongere kinderen nog meer geneigd zijn de leiderschapsrol aan het begaafde kind over te laten. Deze voelt zich daardoor beter erkent en gewaardeerd en dat kan dan op dat moment bijdragen aan een positief zelfbeeld. Dit zijn echter wel vaak ongelijkwaardige relaties die op den duur voor het begaafde kind dan toch weer minder bevredigend zouden kunnen zijn.

https://www.youtube-nocookie.com/embed/oucwzE-_JHM?feature=oembed&disablekb=1

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Delen

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Theory of mind

Theory of Mind gaat over het vermogen je te kunnen verplaatsen in andermans gedachten en beleving. Vanaf ongeveer vier à vijf jaar beginnen kinderen te begrijpen dat anderen iets anders kunnen zien, voelen en beleven dan zij zelf. Kinderen die dat zelf al kunnen, begrijpen op die leeftijd echter niet dat een ander dat nog níet kan. Als kinderen ouder worden leren ze ook het verschil tussen verbale en non-verbale communicatie begrijpen, ze leren dat wat jij zegt en doet ook iets doet met een ander, en hoe je dat kunt beïnvloeden. Theory of Mind is een in hoge mate cognitief construct dat vaak als ‘sterker’ wordt waargenomen, naar mate de intelligentie hoger is, ook in testscores. Begaafde kinderen kunnen op grond van hun hoge intelligentie zo goed redeneren wat er verwacht wordt dat ze ogenschijnlijk het heel goed doen. In de praktijk blijken ze dan niet altijd evenredig te kunnen handelen: dat is dan gewoon leeftijdsadequaat of zelfs zwakker.

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Het belang van peers

Over het belang van peers of ontwikkelingsgelijken is in het werkveld van begaafdheid veel geschreven en onderzocht. Met peers bedoelen we gelijkgestemden. Dat kunnen leeftijds- of klasgenoten zijn, maar dat hoeft dus niet: het kan ook een oudere of jongere persoon zijn met dezelfde interesses of raakvlakken. Met ontwikkelingsgelijken bedoelen we kinderen die zich in dezelfde ontwikkelingsfase bevinden. Ook dat kunnen leeftijdsgenoten zijn, maar bij kinderen die zich sneller (of langzamer) ontwikkelen is dat ook niet per definitie het geval.Beide groepen zijn belangrijk voor een evenwichtige ontwikkeling van je zelfbeeld en sociale identiteit. Bij een grofweg normaal lopende ontwikkeling kom je dat in de meeste gevallen wel tegen in de klas of in de buurt, bij de sportclub of een hobby. Bij kinderen die sneller door bepaalde ontwikkelingsfases gaan, kan dat scheef gaan lopen, met name in de kritieke periodes in de sociale ontwikkeling – de voor- en vroegschoolse periode en de pubertijd. Het verschil in interesses en/of ontwikkeling zorgt dan voor een mismatch met kinderen van dezelfde leeftijd, waardoor kinderen zich onvoldoende kunnen spiegelen aan anderen. De peergroup zal dan vanuit de pedagogische context vormgegeven moeten worden.