Executieve vaardigheden – Visie en aanpak – Visie

Renée Dinjens werkt als docent trajectklas en hb-coördinator in het voortgezet onderwijs op het dr. Aletta Jacobs College in Hoogezand. De trajectklas is een voorziening voor leerlingen met kenmerken van hoogbegaafdheid en/of ASS die ondersteuning nodig hebben, met als uitgangspunt dat de leerling betrokken blijft bij de reguliere klas.

De volgende onderwerpen komen ter sprake in het interview dat Ragnild Zonneveld had met Renée Dinjens:

  • Even voorstellen
  • Visie op executieve vaardigheden
  • Signaleren & begrijpen
  • Aanpak
  • Samenwerking in de ecologische omgeving
  • Effect & leerlingontwikkeling

Executieve vaardigheden – Visie en aanpak – Even voorstellen

Renée Dinjens werkt als docent trajectklas en hb-coördinator in het voortgezet onderwijs op het dr. Aletta Jacobs College in Hoogezand. De trajectklas is een voorziening voor leerlingen met kenmerken van hoogbegaafdheid en/of ASS die ondersteuning nodig hebben, met als uitgangspunt dat de leerling betrokken blijft bij de reguliere klas.

De volgende onderwerpen komen ter sprake in het interview dat Ragnild Zonneveld had met Renée Dinjens:

  • Even voorstellen
  • Visie op executieve vaardigheden
  • Signaleren & begrijpen
  • Aanpak
  • Samenwerking in de ecologische omgeving
  • Effect & leerlingontwikkeling

Wat verstaan we onder… verbaal sterke prestaties?

Verbaal sterke prestaties verwijzen naar uitmuntende vaardigheden op het gebied van taal, zoals spreken, luisteren, lezen en schrijven. Leerlingen die verbaal sterk zijn, hebben vaak een rijke woordenschat en kunnen complexe informatie snel begrijpen en effectief communiceren. Ze kunnen goed argumenteren, redeneren en hun ideeën helder en overtuigend verwoorden, zowel mondeling als schriftelijk. Ook creatief taalgebruik, bijvoorbeeld in verhalen of presentaties, is kenmerkend. Een leerling die moeiteloos lange teksten begrijpt, ingewikkelde vragen beantwoordt en overtuigend kan presenteren, toont verbaal sterke prestaties. Deze vaardigheden vallen op in schoolse contexten en daarbuiten en ondersteunen leren en interactie met anderen.

Wat verstaan we onder… taakinitiatie?

Taakinitiatie is het vermogen van een leerling om zelfstandig te beginnen aan een taak of opdracht, zonder dat daar steeds aan herinnerd of aangestuurd moet worden. Het gaat om de eerste stap zetten: weten wat er gedaan moet worden, de taak starten en de benodigde handelingen uitvoeren. Taakinitiatie is een belangrijke executieve functie, omdat het invloed heeft op productiviteit, zelfstandigheid en het leren van de leerling. Problemen met taakinitiatie kunnen leiden tot uitstelgedrag, passiviteit of afhankelijkheid van de leerkracht voor aansturing.

Wat verstaan we onder… ontwikkelingspotentieel?

Ontwikkelingspotentieel verwijst naar de capaciteit van een persoon om zich verder te ontwikkelen, zowel cognitief als sociaal-emotioneel of op vaardigheidsgebied. Het gaat niet alleen om wat iemand op dit moment kan, maar vooral om wat hij of zij in de toekomst kan bereiken met de juiste ondersteuning, uitdaging en leeromgeving. Factoren zoals talent, motivatie, omgeving en begeleiding beïnvloeden dit potentieel. Zo kan een leerling die nu de basis van wiskunde begrijpt met goede begeleiding complexe vraagstukken leren oplossen. Ontwikkelingspotentieel draait dus om de toekomstige groeimogelijkheden van een persoon.

Wat verstaan we onder… mentaal rijpingsproces?

Het mentale rijpingsproces verwijst naar de geleidelijke ontwikkeling van het denken, voelen en handelen van een persoon, waardoor hij of zij steeds beter in staat is om complexe situaties te begrijpen, zelfstandig keuzes te maken en verantwoordelijk te handelen. Dit proces is sterk verbonden met persoonlijke groei, ervaring en het verwerven van sociale, emotionele en cognitieve vaardigheden. Net zoals een vrucht tijd nodig heeft om te rijpen, heeft het menselijk brein en de persoonlijkheid tijd nodig om volledig ontwikkeld te worden. Het mentale rijpingsproces helpt iemand om bewuster, evenwichtiger en effectiever te functioneren in het dagelijks leven.

Wat verstaan we onder… cognitieve flexibiliteit?

Cognitieve flexibiliteit is het vermogen om het denken aan te passen aan nieuwe informatie, omstandigheden of perspectieven. Leerlingen die cognitief flexibel zijn, kunnen gemakkelijk wisselen tussen verschillende taken of denkwijzen en passen hun strategieën aan wanneer eerdere pogingen niet werken. Ze kunnen verschillende standpunten innemen, alternatieve oplossingen overwegen en creatief problemen oplossen. Bijvoorbeeld onderzoekt een leerling bij een wiskundeprobleem meerdere oplossingsmethoden en kiest een andere aanpak wanneer de eerste niet lukt. Cognitieve flexibiliteit stelt je in staat je denken aan te passen, wat essentieel is voor leren, probleemoplossing en het omgaan met veranderingen en onverwachte situaties.

Sociaal-emotionele ontwikkeling – Emotieregulatie en executieve functies

Emotieregulatie is een factor die samenhangt met een andere bekende parapluterm: de executieve functies. Executieve functies gaan over de complexe en brede processen die nodig zijn om doelgericht acties uit te voeren. De drie kernfuncties zijn werkgeheugen, cognitieve flexibiliteit en inhibitie. Inhibitie – het vermogen eigen gedrag en gedachten op tijd te stoppen – hangt nauw samen met zelfregulatie: het reguleren van eigen emoties, gedrag en gedachten. In het geval van emotieregulatie leer je je eigen emoties op de juiste wijze te sturen en verwerken, zodat ze je niet belemmeren in je handelen. Natuurlijk hangt dit samen met je vermogen je gedachten en je gedrag te sturen. De inhibitie maakt een snelle en gevoelige ontwikkeling door in de voor- en vroegschoolse periode, waardoor problemen in de ontwikkeling van inhibitie ook op latere leeftijd een rol kunnen blijven spelen. Er is overigens geen relatie tussen intelligentie en inhibitie in aanleg; ook hier is het de omgeving die bepalend is voor de ontwikkeling en eventuele knelpunten.

Het jonge kind – Ecologie van de leerling

Het begrip ‘Ecologie van de leerling’ is geïntroduceerd voor Van Meersbergen en de Jeninga. Zij baseren zich daarvoor op de theorie van Bronfenbrenner die stelt dat elk mens deel uit maakt van een systeem en dat dit systeem weer van invloed is op ons denken, handelen en dus ook op ons leren. Nu zijn er in het ecologisch model dat Van Meersbergen en Jeninga hanteren veel factoren waar een leraar maar beperkt invloed op heeft. Soms is die invloed zelfs indirect, denk bijvoorbeeld aan sociaal-economische aspecten die beslist van invloed kunnen zijn om de ontwikkeling van een leerling, maar waar je als leraar geen greep op hebt.

Het blijkt voor leraren helpend te zijn om in eerste instantie het concept ‘ecologie van de leerling’ daarom terug te brengen naar factoren en actoren waarop de leraar wel direct invloed kan uitoefenen. In de ecologie van de leerling heeft de leerling uiteraard een centrale plaats. De leraar, het gezin en peers oefenen door hun eigen opvattingen en gedrag direct invloed uit op de leerling. Tegelijkertijd is ook het leerstofaanbod en de leeromgeving van invloed op de leerling. Er is ook sprake van een indirecte invloed op de leerling, want alle factoren en actoren uit die ecologie zijn toch ook weer van invloed op elkaar. Alles hangt met alles samen en dat is tegelijk de kern van het systemisch denken.

Wat verstaan we onder… zone van naastgelegen ontwikkeling?

De term Zone van naastgelegen ontwikkeling is afkomstig van Vygostki. Vygotski bedoelde daarmee taken waarvoor een leerling net een beetje op zijn tenen moet lopen maar die de leerling dankzij goede instructie en begeleiding tijdens het uitvoeren van de taak grotendeels zelfstandig kan verrichten. Om een taak aan te kunnen bieden in die zone van naastgelegen ontwikkeling moet een leraar dus heel goed zicht hebben op de beginsituatie van de leerling. Wat weet en kan de leerling al, welke kennis is nog niet aanwezig en welke vaardigheden moet de leerling gaan ontwikkeling. Het gat tussen wat de leerling al weet en kan en wat nieuwe informatie en nieuwe vaardigheden betreft is de omvang van de leerstap die de leerling moet gaan zetten. Hoe groter dat gat, hoe groter de leerstap, hoe kleiner het gat, hoe kleiner de leerstap.

Van leerlingen met kenmerken van begaafdheid weten we dat ze in het domein waarin ze het grootste ontwikkelingspotentieel hebben, ze ook de grootste leerstappen kunnen zetten. Maar dat betekent niet dat ze dat dus kunnen zonder een goede instructie en begeleiding. Het betekent ook niet dat ze automatisch in elk vak even grote leerstappen kunnen zetten. Het kan dus best zo zijn dat een leerling in het domein taal/lezen verhoudingsgewijs grotere leerstappen zou kunnen zetten dan in het domein rekenen. Uiteraard kan het omgekeerde ook het geval zijn en zijn er ook leerlingen die in alle vakken heel grote leerstappen kunnen zetten. Als de leerstappen te klein zijn, dan ervaren we veelal dat een leerling ‘erg gemakkelijk’ leert. Het gaat de leerling vaak goed af, met weinig fouten waardoor de leerling een gebrek aan uitdaging kan ervaren.