Slimme meisjes – PISA

PISA is de afkorting voor Programme for International Student Assessment. Het is een internationaal vergelijkend onderzoek dat de vaardigheden en kennis in natuurwetenschappen, lezen en wiskunde van 15-jarigen test. Ongeveer 95 landen doen mee met PISA-2025. Het onderzoek staat onder toezicht van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de OESO.

In een internationaal vergelijkend rapport worden onderwijssystemen en prestaties van landen met elkaar vergeleken. Deze informatie is waardevol voor het verklaren van verschillen in prestaties tussen groepen leerlingen en/of landen. Op deze manier kan men leren van elkaars sterke en zwakke punten. Elke drie jaar worden de kennis en vaardigheden van leerlingen getoetst.

Slimme meisjes – Conventies

Met conventies bedoelen we in deze context een algemeen aanvaarde gewoonte of manier van doen. Deze conventies bepalen vaak hoe mensen zich horen te gedragen in bepaalde situaties. Je kunt daarbij denken aan bepaalde gewoonten in het sociale verkeer. In Nederland is het bijvoorbeeld een algemene gewoonte dat je iemand een hand geeft als je je voorstelt. In de schoolsituatie zijn er ook allerlei uitgesproken en onuitgesproken gewoontes die binnen een bepaalde groep gelden.

Slimme meisjes – Attributies

Het woord attributies wordt gebruikt om te omschrijven waar iemand een oorzaak voor gedrag of een gebeurtenis aan toeschrijft. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen extern attribueren en intern attribueren. Extern attribueren betekent de oorzaak buiten jezelf leggen. Intern attribueren betekent de oorzaak binnen jezelf zoeken.

Stel je voor dat een kind in het gangpad in de klas valt over de tas van een ander kind. Het kind dat valt kan dan zeggen “Dat komt omdat de tas van Jantje in de weg lag. Jantje had zijn tas moeten opruimen aan de kapstok.” In dit voorbeeld is er sprake van externe attributie. Als dit zelfde kind zegt over de aanleiding van de valpartij: “Oh, ik keek even niet goed uit”, dan is er sprake van intern attribueren.

Slimme meisjes – Didactisch coachen

Een leraar die didactisch coacht, draagt niet alleen kennis over, maar begeleidt leerlingen ook in hun leerproces zodat ze een actieve rol als leerder gaan innemen. De leraar geeft niet alleen instructie, maar zorgt bijvoorbeeld door het stellen van goede vragen dat de leerling zelf gaat nadenken over de leerinhouden en over de eigen rol in het leerproces.

Voorbeelden daarvan zijn: ‘Wat heb je gedaan om zelf tot een antwoord te komen?’ en ‘Hoe kun je om hulp vragen?’. Het kunnen ook vragen zijn die gaan over de inhoud van verworven kennis waardoor de leerling leert om informatie op waarde te schatten.

Bij didactisch coachen hoort ook het geven van goede feedback zodat de leerling kan zien: ‘Dit kan ik nu al, dit is de volgende stap in kennis en vaardigheden die ik kan ontwikkelen’ en ‘Als ik het zo aanpak, dan neemt de kans toe dat ik het leerdoel goed bereik’.

Peuters met een ontwikkelingsvoorsprong – Passieve en actieve woordenschat

Met de woordenschat bedoelen we het aantal woorden dat je kent in een bepaalde taal. We maken daarnaast onderscheid tussen passieve en actieve woordenschat.

De passieve woordenschat gaat over de woorden die je herkent en begrijpt, als je ze hoort of er over leest. Bijvoorbeeld: een peuter wijst de televisie aan als je het over de televisie hebt. Het woord uitspreken lukt nog niet. Met de actieve woordenschat bedoelen we die woorden, die het kind ook zelf actief kan gebruiken in taal en gesprekken. De peuter kan dan bijvoorbeeld zeggen “televisie aan”.

De passieve woordenschat is bij jonge kinderen vaak veel groter dan de actieve woordenschat: ze begrijpen al veel, maar kunnen nog niet altijd goed praten.

Peuters met een ontwikkelingsvoorsprong – Neuroplasticiteit

Neuroplasticiteit betekent dat het brein zich kan aanpassen. Het brein kan niet groter worden of nieuwe cellen aanmaken, maar er kunnen wel nieuwe verbindingen worden gelegd in de hersenen. Door deze verbindingen kan het brein efficiënter werken en functies beter uitvoeren.

Omdat het brein in staat is tot het maken van nieuwe verbindingen, kun je nieuwe dingen leren. Dit kan worden gestimuleerd door nieuwe vaardigheden te trainen en dit ook echt vaak te gaan doen. Bijvoorbeeld door veel te oefenen kun je leren piano spelen.

Peuters met een ontwikkelingsvoorsprong – Meta-analyse

Bij een meta-analyse worden resultaten van verschillende onderzoeken samengevoegd. Deze resultaten worden met elkaar vergeleken op verschillende punten, door bepaalde berekeningen uit te voeren. Door deze berekeningen kun je betrouwbaarder en preciezer uitspraken doen over een bepaalde stelling of vraag.

Een meta-analyse is een ingewikkelde en tijdrovende vorm van onderzoek, maar heeft een aantal voordelen. De onderzoeksgroep is een stuk groter, omdat je verschillende onderzoeken samenvoegt. Daarmee kun je beter en nauwkeuriger conclusies trekken en informatie halen uit alle gegevens. Ook kun je patronen ontdekken door individuele onderzoeken met elkaar te vergelijken.

Differentiatie – Taxonomie van Bloom

De taxonomie van Bloom brengt een ordening aan in de denkvaardigheden die we in het onderwijs van leerlingen vragen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in lagere orde denkvaardigheden en hogere orde denkvaardigheden. Lagere orde denkvaardigheden zijn: herinneren, begrijpen en toepassen. Hogere orde denkvaardigheden zijn analyseren, evalueren en creëren. Een taak wordt complexer naarmate de denkvaardigheid die we van de leerlingen vragen om de taak uit te kunnen voeren, opklimmen in de ordening die de taxonomie heeft aangebracht.

Differentiatie – Achievement Orientation Model

Het Achievement Orientation Model is ontwikkeld door twee wetenschappers Del Siegle and Betsy McCoach. Het model maakt op een relatief eenvoudige wijze zichtbaar wat de beïnvloedende factoren zijn op de motivatie van leerlingen. De kern van het model is opgezet als een venndiagram met drie aspecten die met elkaar moeten samenvallen: de waarde die leerlingen aan de taak en het leerdoel toekennen, het gevoel van self-efficacy dat leerlingen ervaren en aan de hand waarvan zij inschatten of ze een kans op succes zien om de taak tot een goed eind te brengen, én het beeld dat leerlingen hebben van wat de omgeving van hen verwacht en wat de omgeving van hen vindt. Wil je meer weten over het Achievement Orientatie Model bezoek dan eens de site van het Renzulli Center for Creativity, Gifted Education, and Talent Development en verken de bronnen die zij online gratis ter beschikking stellen.

Differentiatie – Directe instructiemodel

Het begrip ‘Directe instructie model’ verwijst naar de verschillende fasen in een hele les en de manier waarop de leraar die les organiseert. Het gaat dus over wat de leraar doet om de leerlingen nieuwe kennis en vaardigheden te laten ontwikkelen. In elke les worden zes fasen onderscheiden:

  • Introductie en terugblik.
  • Instructie van nieuwe begrippen en vaardigheden.
  • Begeleide oefening van het aangeleerde.
  • Zelfstandig toepassen van het geleerde.
  • Periodieke terugblik.
  • Terugkoppeling.

De les start dan met een klassikale instructie die op een interactieve manier wordt verzorgd. Na deze klassikale start stemt de leraar af op de individuele behoeften van de leerlingen. Sommige leerlingen kunnen relatief snel zelfstandig aan de slag, andere leerlingen kunnen meer ondersteuning nodig hebben. Zowel in het basis als voortgezet onderwijs wordt gebruik gemaakt van deze manier om de lessen te organiseren. De insteek is dat door deze manier van werken de leerling stapsgewijs zich kennis en vaardigheden eigen maakt om die in een groeide mate van zelfstandigheid te kunnen toepassen.