Differentiatie – Kerndoelen van het onderwijs

In het Nederlandse onderwijs wordt gewerkt met kerndoelen. Dit zijn streefdoelen en hebben betrekking op de minimum eisen voor zowel het basisonderwijs als de basisvorming. De kerndoelen zijn vastgesteld door de overheid. Scholen mogen zelf bepalen hoe ze vorm geven aan die kerndoelen.

Er worden twee soorten kerndoelen onderscheiden. Er zijn zogenoemd leergebiedspecifieke doelen, die hebben betrekking op de leerinhouden van vakken zoals taal/communicatie en rekenen/wiskunde. Daarnaast zijn er ook leergebiedoverstijgende doelen. Dat zijn doelen die betrekking hebben op bijvoorbeeld de sociale en emotionele ontwikkeling van leerlingen, of bijvoorbeeld op leergedrag.

Daar waar leerlingen meer aankunnen dan wat in de kerndoelen is vastgelegd, is het aan scholen om aanvullende leerdoelen vast te stellen die ofwel meer de diepte ingaan waardoor leerlingen binnen een bepaald domein meer en diepgaandere kennis ontwikkelen, ofwel meer de breedte ingaan waardoor leerlingen ook andere kennis en vaardigheden ontwikkelen die buiten de vastgestelde domeinen vallen.

Wat verstaan we onder… rubric?

Een rubric is een instrument waarmee voor de leraar en leerlingen zichtbaar gemaakt wordt waaraan een leerproduct moet voldoen. Elke rubric kent twee dimensies en wordt vaak vormgegeven in een matrix. Verticaal staan vaak de concrete criteria benoemd, bijvoorbeeld: de tekst is voor zien van een inleiding of op het voorblad staat een afbeelding die betrekking heeft op de inhoud van het product. Horizontaal staat dan vaak aangegeven in hoeverre dit criterium ook door de leerling is behaald. Dat kan variëren tussen ‘voldaan en niet voldaan’ tot getallen van bijvoorbeeld 0 tot 6 waarbij per getal duidelijk is vastgelegd wat er dan tenminste zichtbaar moet worden. De 0 verwijs in dit geval naar ‘niet aanwezig’.

Wat verstaan we onder… peergrouponderwijs?

Het woord peergroep verwijst naar een groepssamenstelling waarin leerlingen van een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau zijn geplaatst zonder dat dit direct iets zegt over de fysieke organisatievorm. Je kunt spreken over peergroeponderwijs:

  • als een groepje leerlingen binnen een reguliere groep die op hetzelfde niveau van bijvoorbeeld rekenen, lezen of aardrijkskunde samen instructie krijgen, samenwerken en leren,
  • of als het een groep leerlingen betreft met een vergelijkbaar ontwikkelingspotentieel die samen onderwijs krijgen aangeboden,
  • of als het leerlingen betreft met vergelijkbare belangstellingen,
  • of als het leerlingen betreft met vergelijkbare educatieve behoeften waar op een vergelijkbare manier opgereageerd kan worden.

Elke peergroep kan dus verschillen van leerlingpopulatie, organisatievorm en doelstellingen. Daardoor zijn niet alle peergroeps vergelijkbaar. De organisatievorm van de peergroep hangt af van de functie en van de bredere context waarin het aanbod wordt georganiseerd. Als binnen de reguliere groep een aangepast leerstofaanbod en een andere pedagogisch-didactische aanpak niet of moeilijk te verwezenlijken is, dan is peergroeponderwijs buiten de reguliere groep een goed alternatief.

Wat verstaan we onder… divergente differentiatie?

Bij divergente differentiatie wil je van optimale leermogelijkheden voor alle leerlingen scheppen. Dit kan door het onderwijs af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van elk kind, bijvoorbeeld door leerstof op maat te bieden of in te spelen op verschillen in leertempo, leervoorkeuren, leerpotentieel en interesses. Bij divergente differentiatie kunnen leerlingen met kenmerken van begaafdheid werken aan complexere leerdoelen, andere type opdrachten of leervragen, waardoor zij uitgedaagd worden en gemotiveerd blijven om te leren. Hiervoor is het niet altijd nodig om het hele curriculum, alle opdrachten of lesmaterialen te veranderen. Zo kan er bijvoorbeeld gewerkt worden met specifieke vormen van feedback met variatie in complexiteit en niveau, gevarieerd worden in de mate van zelfstandigheid waarmee leerlingen aan een taak werken of gedifferentieerd worden in de mate van inhoudelijke verdieping.

Wat verstaan we onder… convergente differentiatie?

Bij convergente differentiatie streef je ernaar dat alle leerlingen de minimale leerdoelen behalen. Dat wil zeggen dat er op een bepaalde hoogte een ‘lat’ wordt gelegd waar alle leerlingen aan zouden moeten voldoen. Dat gaat echtervaak ten koste van de tijd en aandacht voor leerlingen met kenmerken van begaafdheid. Onderzoek van Van den Berg uit 2018 toont aan dat deze leerlingen door convergente differentiatie worden afgeremd in leertempo en ontwikkelpotentieel. Hornstra en anderen constateren dat dit nadelige gevolgen heeft voor hun schoolprestaties, motivatie en schoolgerelateerd welbevinden.

Ouders – Co-regulatie

Kinderen kunnen nog moeite hebben met het reguleren van hun emoties en gedrag, zeker als er sprake is van een situatie waarin hun stressniveau is verhoogd. Co-regulatie betekent dat je zowel fysiek als mentaal steun biedt aan je kind en zowel bespreekt als voordoet hoe je met heftige emoties omgaat.

Ouders en professionals kunnen zorgen voor co-regulatie: ze kunnen het kind helpen allereerst de emoties te begrijpen, door woorden te geven. Maar ook non-verbaal kun je veel doen. Je kunt samen met het kind regulatietechnieken toepassen. Daardoor help je het kind het zenuwstelsel te reguleren. Denk bijvoorbeeld aan ademhaling, tempo van praten, lichaamshouding, beweging. Daarvoor is het nodig dat je zelf rustig en kalm bent.

Ouders – De variawet

De variawet zorgt er voor dat het mogelijk is meer maatwerk in onderwijstijd te bieden aan leerlingen die tijdelijk geen, of niet volledig, onderwijs kunnen volgen vanwege een lichamelijke of psychische beperking. De school kan dan een op maat gemaakt programma aanbieden door af te wijken van het minimaal aantal uren onderwijstijd.

Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan deeltijdonderwijs. De school blijft verantwoordelijk voor het onderwijs en ontwikkelprogramma, dient dat ook vast te leggen in een ontwikkelingsperspectief plan (OPP) en biedt dat in overleg met de ouders of verzorgers aan. Voor het aangepaste programma is toestemming nodig van de inspectie.

Ouders – Jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en jeugdzorg

Nederland kent verschillende preventieve en curatieve vormen van ondersteuning en hulp om te zorgen dat kinderen veilig en gezond kunnen opgroeien.

De jeugdgezondheidszorg (JGZ) helpt ouders en opvoeders bij het gezond laten opgroeien van hun kinderen. Je kunt er terecht bijvoorbeeld voor gratis advies, voorlichting en ondersteuning. Ook verzorgen ze de vaccinaties en volgen de ontwikkeling, onder andere via het consultatiebureau en later via het onderwijs. Bij de JGZ werken jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen. De JGZ richt zich dus op preventieve zorg.

De JGZ maakt vaak deel uit van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Dit centrum biedt ondersteuning en jeugdhulp en is er voor alle kinderen, jongeren, opvoeders – zowel professioneel als bijvoorbeeld ouders en grootouders en anderen die met kinderen of hun opvoeders werken. Bij het CJG vind je verschillende professionals, waaronder ook maatschappelijk werkers en pedagogen. Je kunt er terecht voor advies, cursussen en kortdurende begeleiding.

Soms is dat niet voldoende en komt de jeugdzorg of jeugdhulp in beeld. Er is dan sprake van specialistische hulp bij opgroeien en opvoeden. De gemeente is verantwoordelijk voor de inkoop van de jeugdzorg. De gemeente maakt daarbij gebruik van verschillende aanbieders, zoals bijvoorbeeld psychologen, orthopedagogen, ambulant gezinshulpverleners, pedagogen enzovoort. Als er medische noodzaak is zal ook een huisarts of kinderarts in beeld komen.

Ouders – “Niet-weten-vaardigheden” en soorten vragen

Met ‘Niet-weten-vaardigheden’ doelen we op vaardigheden die je kunt gebruiken in gesprekken. Je stelt vragen waardoor de ander zelf tot een oplossing kan komen. We zijn snel geneigd om oordelen en adviezen te geven. Maar door een houding aan te nemen van ‘niet-weten’ en vragen te stellen, help je het perspectief van de ander duidelijk te krijgen.

Andere technieken die je kunt gebruiken zijn bijvoorbeeld de wondervraag, schaalvraag en uitzonderingsvraag. Bij de wondervraag vraag je de ander te beschrijven hoe de situatie er uit zou zien als er een wonder heeft plaatsgevonden waardoor het probleem is opgelost.

Bij de schaalvraag kan de ander aangeven waar hij zit op een schaal van 0 tot 10 waarbij 10 de ideale situatie is. Wat is er nodig om een of twee stapjes op te schuiven richting die 10?

Tenslotte de uitzonderingsvraag. Daarbij vraag je naar momenten waarop het probleem zich niet of minder voordoet, waardoor je inzicht krijgt in wat werkt in zo’n situatie.

Wat verstaan we onder… pedagogische sensitiviteit?

Met pedagogische sensitiviteit bedoelen we dat je opmerkt, aanvoelt en begrijpt wat er in een situatie of bij een kind nodig is. Je hebt oog voor de ander, en voor signalen, ook de kleine en minder opvallende. Je geeft daar de juiste betekenis aan en reageert er op een goede manier op, ook in de ogen van de ander.

Door deze manier van reageren draag je bij aan een goede relatie, want de ander voelt zich gehoord en gezien. Tenslotte richt je je bij pedagogische sensitiviteit bewust op de goede momenten en sterke kanten van een kind.