Slimme meisjes – Didactisch coachen

Een leraar die didactisch coacht, draagt niet alleen kennis over, maar begeleidt leerlingen ook in hun leerproces zodat ze een actieve rol als leerder gaan innemen. De leraar geeft niet alleen instructie, maar zorgt bijvoorbeeld door het stellen van goede vragen dat de leerling zelf gaat nadenken over de leerinhouden en over de eigen rol in het leerproces.

Voorbeelden daarvan zijn: ‘Wat heb je gedaan om zelf tot een antwoord te komen?’ en ‘Hoe kun je om hulp vragen?’. Het kunnen ook vragen zijn die gaan over de inhoud van verworven kennis waardoor de leerling leert om informatie op waarde te schatten.

Bij didactisch coachen hoort ook het geven van goede feedback zodat de leerling kan zien: ‘Dit kan ik nu al, dit is de volgende stap in kennis en vaardigheden die ik kan ontwikkelen’ en ‘Als ik het zo aanpak, dan neemt de kans toe dat ik het leerdoel goed bereik’.

Peuters met een ontwikkelingsvoorsprong – Passieve en actieve woordenschat

Met de woordenschat bedoelen we het aantal woorden dat je kent in een bepaalde taal. We maken daarnaast onderscheid tussen passieve en actieve woordenschat.

De passieve woordenschat gaat over de woorden die je herkent en begrijpt, als je ze hoort of er over leest. Bijvoorbeeld: een peuter wijst de televisie aan als je het over de televisie hebt. Het woord uitspreken lukt nog niet. Met de actieve woordenschat bedoelen we die woorden, die het kind ook zelf actief kan gebruiken in taal en gesprekken. De peuter kan dan bijvoorbeeld zeggen “televisie aan”.

De passieve woordenschat is bij jonge kinderen vaak veel groter dan de actieve woordenschat: ze begrijpen al veel, maar kunnen nog niet altijd goed praten.

Peuters met een ontwikkelingsvoorsprong – Neuroplasticiteit

Neuroplasticiteit betekent dat het brein zich kan aanpassen. Het brein kan niet groter worden of nieuwe cellen aanmaken, maar er kunnen wel nieuwe verbindingen worden gelegd in de hersenen. Door deze verbindingen kan het brein efficiënter werken en functies beter uitvoeren.

Omdat het brein in staat is tot het maken van nieuwe verbindingen, kun je nieuwe dingen leren. Dit kan worden gestimuleerd door nieuwe vaardigheden te trainen en dit ook echt vaak te gaan doen. Bijvoorbeeld door veel te oefenen kun je leren piano spelen.

Peuters met een ontwikkelingsvoorsprong – Meta-analyse

Bij een meta-analyse worden resultaten van verschillende onderzoeken samengevoegd. Deze resultaten worden met elkaar vergeleken op verschillende punten, door bepaalde berekeningen uit te voeren. Door deze berekeningen kun je betrouwbaarder en preciezer uitspraken doen over een bepaalde stelling of vraag.

Een meta-analyse is een ingewikkelde en tijdrovende vorm van onderzoek, maar heeft een aantal voordelen. De onderzoeksgroep is een stuk groter, omdat je verschillende onderzoeken samenvoegt. Daarmee kun je beter en nauwkeuriger conclusies trekken en informatie halen uit alle gegevens. Ook kun je patronen ontdekken door individuele onderzoeken met elkaar te vergelijken.

Differentiatie – Taxonomie van Bloom

De taxonomie van Bloom brengt een ordening aan in de denkvaardigheden die we in het onderwijs van leerlingen vragen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in lagere orde denkvaardigheden en hogere orde denkvaardigheden. Lagere orde denkvaardigheden zijn: herinneren, begrijpen en toepassen. Hogere orde denkvaardigheden zijn analyseren, evalueren en creëren. Een taak wordt complexer naarmate de denkvaardigheid die we van de leerlingen vragen om de taak uit te kunnen voeren, opklimmen in de ordening die de taxonomie heeft aangebracht.

Differentiatie – Achievement Orientation Model

Het Achievement Orientation Model is ontwikkeld door twee wetenschappers Del Siegle and Betsy McCoach. Het model maakt op een relatief eenvoudige wijze zichtbaar wat de beïnvloedende factoren zijn op de motivatie van leerlingen. De kern van het model is opgezet als een venndiagram met drie aspecten die met elkaar moeten samenvallen: de waarde die leerlingen aan de taak en het leerdoel toekennen, het gevoel van self-efficacy dat leerlingen ervaren en aan de hand waarvan zij inschatten of ze een kans op succes zien om de taak tot een goed eind te brengen, én het beeld dat leerlingen hebben van wat de omgeving van hen verwacht en wat de omgeving van hen vindt. Wil je meer weten over het Achievement Orientatie Model bezoek dan eens de site van het Renzulli Center for Creativity, Gifted Education, and Talent Development en verken de bronnen die zij online gratis ter beschikking stellen.

Differentiatie – Directe instructiemodel

Het begrip ‘Directe instructie model’ verwijst naar de verschillende fasen in een hele les en de manier waarop de leraar die les organiseert. Het gaat dus over wat de leraar doet om de leerlingen nieuwe kennis en vaardigheden te laten ontwikkelen. In elke les worden zes fasen onderscheiden:

  • Introductie en terugblik.
  • Instructie van nieuwe begrippen en vaardigheden.
  • Begeleide oefening van het aangeleerde.
  • Zelfstandig toepassen van het geleerde.
  • Periodieke terugblik.
  • Terugkoppeling.

De les start dan met een klassikale instructie die op een interactieve manier wordt verzorgd. Na deze klassikale start stemt de leraar af op de individuele behoeften van de leerlingen. Sommige leerlingen kunnen relatief snel zelfstandig aan de slag, andere leerlingen kunnen meer ondersteuning nodig hebben. Zowel in het basis als voortgezet onderwijs wordt gebruik gemaakt van deze manier om de lessen te organiseren. De insteek is dat door deze manier van werken de leerling stapsgewijs zich kennis en vaardigheden eigen maakt om die in een groeide mate van zelfstandigheid te kunnen toepassen.

Differentiatie – Kerndoelen van het onderwijs

In het Nederlandse onderwijs wordt gewerkt met kerndoelen. Dit zijn streefdoelen en hebben betrekking op de minimum eisen voor zowel het basisonderwijs als de basisvorming. De kerndoelen zijn vastgesteld door de overheid. Scholen mogen zelf bepalen hoe ze vorm geven aan die kerndoelen.

Er worden twee soorten kerndoelen onderscheiden. Er zijn zogenoemd leergebiedspecifieke doelen, die hebben betrekking op de leerinhouden van vakken zoals taal/communicatie en rekenen/wiskunde. Daarnaast zijn er ook leergebiedoverstijgende doelen. Dat zijn doelen die betrekking hebben op bijvoorbeeld de sociale en emotionele ontwikkeling van leerlingen, of bijvoorbeeld op leergedrag.

Daar waar leerlingen meer aankunnen dan wat in de kerndoelen is vastgelegd, is het aan scholen om aanvullende leerdoelen vast te stellen die ofwel meer de diepte ingaan waardoor leerlingen binnen een bepaald domein meer en diepgaandere kennis ontwikkelen, ofwel meer de breedte ingaan waardoor leerlingen ook andere kennis en vaardigheden ontwikkelen die buiten de vastgestelde domeinen vallen.

Wat verstaan we onder… rubric?

Een rubric is een instrument waarmee voor de leraar en leerlingen zichtbaar gemaakt wordt waaraan een leerproduct moet voldoen. Elke rubric kent twee dimensies en wordt vaak vormgegeven in een matrix. Verticaal staan vaak de concrete criteria benoemd, bijvoorbeeld: de tekst is voor zien van een inleiding of op het voorblad staat een afbeelding die betrekking heeft op de inhoud van het product. Horizontaal staat dan vaak aangegeven in hoeverre dit criterium ook door de leerling is behaald. Dat kan variëren tussen ‘voldaan en niet voldaan’ tot getallen van bijvoorbeeld 0 tot 6 waarbij per getal duidelijk is vastgelegd wat er dan tenminste zichtbaar moet worden. De 0 verwijs in dit geval naar ‘niet aanwezig’.

Wat verstaan we onder… peergrouponderwijs?

Het woord peergroep verwijst naar een groepssamenstelling waarin leerlingen van een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau zijn geplaatst zonder dat dit direct iets zegt over de fysieke organisatievorm. Je kunt spreken over peergroeponderwijs:

  • als een groepje leerlingen binnen een reguliere groep die op hetzelfde niveau van bijvoorbeeld rekenen, lezen of aardrijkskunde samen instructie krijgen, samenwerken en leren,
  • of als het een groep leerlingen betreft met een vergelijkbaar ontwikkelingspotentieel die samen onderwijs krijgen aangeboden,
  • of als het leerlingen betreft met vergelijkbare belangstellingen,
  • of als het leerlingen betreft met vergelijkbare educatieve behoeften waar op een vergelijkbare manier opgereageerd kan worden.

Elke peergroep kan dus verschillen van leerlingpopulatie, organisatievorm en doelstellingen. Daardoor zijn niet alle peergroeps vergelijkbaar. De organisatievorm van de peergroep hangt af van de functie en van de bredere context waarin het aanbod wordt georganiseerd. Als binnen de reguliere groep een aangepast leerstofaanbod en een andere pedagogisch-didactische aanpak niet of moeilijk te verwezenlijken is, dan is peergroeponderwijs buiten de reguliere groep een goed alternatief.