Wat verstaan we onder… dynamisch testen?

Bij dynamisch testen wordt het leerpotentieel van een leerling beoordeeld door te onderzoeken in hoeverre een leerling gebruikmaakt van feedback of hints en op welke manier. Wat je eigenlijk wilt verkennen is in hoeverre de leerling zich kan ontplooien als deze op de juiste momenten en op de juiste manier instructie krijgt terwijl deze werkt aan taken in de zone van naastgelegen ontwikkeling.

Er zijn verschillende manieren om hier inzicht in te krijgen. Een veelgebruikte aanpak is om de leerling eerst een statische test aan te bieden (nulmeting) om in beeld te krijgen wat de leerling al kan en weet. Vervolgens wordt dan een dynamische test aangeboden waarbij de leerling feedback krijgt op de dingen die nog niet helemaal goed gaan. In een afrondende fase krijgt de leerling een vergelijkbare taak aangeboden (opnieuw via een statische test). Daarna wordt beoordeeld wat ‘de winst’ is die de leerling heeft behaald door de feedback die gegeven is.

Onderzoek van Resing en anderen toont aan dat deze manier van testen een betrouwbare indicator is en een betrouwbare voorspellende waarde heeft ten aanzien van individuele schoolprestaties.

Dubbelbijzonder – Kwalitatieve (multiple) casestudies

Een casestudy is een gevalsstudie van – in deze context – een leerling. Een casestudy is veelal gericht op een brede probleemstelling/onderzoeksvraag. In een casestudy worden verschillende onderzoeksmethoden gebruikt, bijvoorbeeld een observatie, een interview, didactische resultaten.

De stappen van de casestudy worden veelal parallel uitgevoerd. Tijdens het onderzoek kan nieuwe informatie leiden tot nieuwe inzichten waardoor eerdere onderzoeksstappen herhaald worden. De aanpak geeft de onderzoeker vaak diepere inzichten.

Bij een multiple casestudy worden meerdere cases vanuit eenzelfde probleemstelling verkend en wordt gekeken of er overeenkomsten zijn en zo ja welke, of dat er juist verschillen waarneembaar zijn.

Dubbelbijzonder – Clustermodellen

De term clustermodellen verwijst naar een aanpak waarbinnen leerlingen in groepjes gecombineerd worden en deze groepjes samengesteld worden op basis van overeenkomstige educatieve behoeften.

Daarbij kun je denken aan de indeling in niveaugroepen voor bijvoorbeeld het technisch lezen of rekenen. Maar er kunnen net zo goed groepjes samengesteld worden op basis van bepaalde aanwezige of juist niet aanwezige leer- en studievaardigheden.

Dubbelbijzonder – Asynchrone ontwikkeling

Een asynchrone ontwikkeling is een situatie waarin een kind zich cognitief veel sneller ontwikkelt dan bijvoorbeeld motorisch of sociaal-emotioneel. Dat hoeft op zich nog niet zo’n probleem te zijn, mits de omgeving het kind dan wel op de beide domeinen aanspreekt op een wijze die past bij het ontwikkelingstempo in dat specifieke domein.

Het wordt wel een probleem als de omgeving er geen rekening mee houdt dat er verschillen in ontwikkelingstempo kunnen zijn tussen die verschillende domeinen bij een kind. Daardoor kan het voorkomen dat we van de leerling bijvoorbeeld op motorisch gebied net zulke hoge verwachtingen hebben als op cognitief gebied. Als de leerling die verwachting niet kan waarmaken, dan hebben we de leerling in feite overvraagd en kan dit leiden tot teleurstelling voor alle partijen.

Dubbelbijzonder – Zelfconcept

Bij zelfconcept gaat het om overtuigingen over wie je bent en wat je kunt, die je in je leven ontwikkelt en die je min of meer als vaststaand ervaart. Die overtuigingen bouw je op uit eerdere ervaringen.

Als je ervaart dat je bij het maken van taken op school nooit fouten maakt, dan zul je na verloop van tijd jezelf als iemand gaan beschouwen die nooit fouten maakt. Als je je dan een keer geconfronteerd ziet met een taak die je niet meteen kunt oplossen, dan kan dat tot verwarring leiden, want ‘je kunt toch altijd alle dingen zonder fouten’. Op zo’n moment kan je zelfconcept onder spanning komen te staan.

Kansengelijkheid – Logisch redeneren

Onder logisch redeneren verstaan we het vermogen om je te richten op een taak waarbij je stap voor stap mentaal doorneemt wat je moet doen om de taak te kunnen verrichten. Je bekijkt dus wat de situatie is, weegt af wat er gedaan moet worden en komt dan tot een logische conclusie.

Een test om het vermogen om logisch redeneren te meten, laat je onder tijdsdruk een reeks opgaven maken waarbij je vermogen om conclusies te trekken, en de nauwkeurigheid waarmee je de taak aanpakt en oplost, in beeld wordt gebracht.

Kansengelijkheid – Leerlingen vergelijken met een lokale normgroep

Op het moment dat je leerlingen vergelijkt met een lokale normgroep (bijvoorbeeld met andere leerlingen op een school) zullen niet alle leerlingen die boven het gemiddelde, of zelfs ver boven het gemiddelde uitsteken, kinderen zijn met kenmerken van begaafdheid. Maar als je de educatieve behoeften van deze leerlingen afzet tegen het onderwijsaanbod op de school, dan kan het wel zo zijn dat deze leerlingen meer aankunnen dan het bestaande aanbod van hen vergt. Door deze leerlingen andere leerstof aan te bieden, kom je dan beter tegemoet aan hun educatieve behoeften.

Kansengelijkheid – Fluïde intelligentie

Fluïde intelligentie is een vakterm waarmee het vermogen tot abstract redeneren wordt omschreven. Bij abstract redeneren gaat het om het herkennen van onderliggende relaties tussen visuele objecten en het herkennen van logische regels en aan de hand waarvan je dan logisch kunt redeneren.

Deze vorm van intelligentie geeft een beeld van de algemene leervaardigheden van een leerling en een beeld van in hoeverre een leerling over vaardigheden beschikt om die verbanden dus te kunnen ontdekken en te gebruiken om tot handige oplossingen te komen.

Als een leerling problemen heeft met het fluïde redeneren dan kan dit soms zichtbaar worden doordat er problemen zijn met verhaaltjessommen, het onder de knie krijgen van rekenprocedures, maar ook met begrijpend lezen of het maken van een geschreven tekst zoals in een opstel.

Kansengelijkheid – Gekristalliseerde intelligentie

Gekristalliseerde intelligentie is de vakterm voor kennis die kinderen in hun eigen cultuur hebben aangeboden gekregen en ook kunnen toepassen. Taalontwikkeling is daar een goed voorbeeld van.

Kinderen die opgroeien in een gezin met een rijk taalgebruik zullen met een heel andere woordenschat de school binnenkomen dan kinderen die niet zo’n achtergrond hebben. Kinderen die tijdens een onderzoek laag scoren op dit testonderdeel kunnen problemen laten zien bij bijvoorbeeld het lezen, maar ook als zij tijdens bijvoorbeeld een kringgesprek of een presentatie aan het woord zijn.

Nu wordt het lastig als die leerling opgroeit in een gezin met wél een rijk taalgebruik, maar waarbij er een andere taal wordt gesproken dan op school of dan het intelligentieonderzoek meet. Er zou dan ten onrechte geconstateerd kunnen worden dat er maar weinig kennis is, terwijl als je de leerling in de thuistaal zou bevragen, je een veel beter zicht krijgt op al die aanwezige kennis. Omdat gekristalliseerde intelligentie aangeleerd is, is dit dus ook veranderlijk.

Wat verstaan we onder… scaffolding?

Bij scaffolding werk je met een didactiek die specifiek gericht is op het stapsgewijs ondersteunen van de leerling bij het verwerven en toepassen van kennis een vaardigheden. Het Engelse woord scaffold betekent letterlijk steiger. En elke steiger is, als het goed is, tijdelijk van aard. Elke keer als de leerling laat zien weer een stapje verder gekomen te zijn, kun je voor dat specifieke onderdeeltje de ondersteuning weer afbouwen.

Het kenmerk van een goede steiger is dat deze niet alleen ondersteuning biedt, maar dat die ondersteuning precies aansluit bij wat er nodig is. Dat begint bij het vaststellen van een beginsituatie: Wat weet de leerling en kan de ook leerling inzetten?

Vervolgens controleer je, of je het beroep dat de leerling op je doet, ook goed hebt begrepen. Dus als de leerling een vraag stelt, dan ga je na of dat ook echt de vraag is. Vervolgens kun je dan aan de hand van gerichte instructie, het stellen van handige denkvragen en het geven van feedback de leerling verder helpen in zijn leerproces. De laatste stap is dat je nagaat of de leerling ook echt uit de voeten kan met de kennis en vaardigheid die zo is ontwikkeld.