Emotieregulatie is een factor die samenhangt met een andere bekende parapluterm: de executieve functies. Executieve functies gaan over de complexe en brede processen die nodig zijn om doelgericht acties uit te voeren. De drie kernfuncties zijn werkgeheugen, cognitieve flexibiliteit en inhibitie. Inhibitie – het vermogen eigen gedrag en gedachten op tijd te stoppen – hangt nauw samen met zelfregulatie: het reguleren van eigen emoties, gedrag en gedachten. In het geval van emotieregulatie leer je je eigen emoties op de juiste wijze te sturen en verwerken, zodat ze je niet belemmeren in je handelen. Natuurlijk hangt dit samen met je vermogen je gedachten en je gedrag te sturen. De inhibitie maakt een snelle en gevoelige ontwikkeling door in de voor- en vroegschoolse periode, waardoor problemen in de ontwikkeling van inhibitie ook op latere leeftijd een rol kunnen blijven spelen. Er is overigens geen relatie tussen intelligentie en inhibitie in aanleg; ook hier is het de omgeving die bepalend is voor de ontwikkeling en eventuele knelpunten.
Sociaal-emotionele ontwikkeling – Emotionele intensiteit
Met emotionele intensiteit bedoelen we het intens beleven van de wereld en je eigen emoties en gevoelens. Dit heeft raakvlakken met hoogsensitiviteit: hoogsensitieve mensen zijn gevoeliger voor prikkels, dus ook voor emotionele prikkels. Dat kan in een niet passende omgeving leiden tot bijvoorbeeld overprikkeldheid, stress en bijvoorbeeld angst of depressie. In de big five vinden we dit in twee factoren terug. De eerste factor is openheid: de mate waarin je open staat voor nieuwe ideeën, gebeurtenissen enzovoort. De tweede factor is stabiliteit: in hoeverre ben je gevoelig voor emotionele instabiliteit en negatieve gevoelens als angst, depressie, zelftwijfel en irritatie. Intensiteit en stabiliteit is dus niet hetzelfde: je kunt intens en tegelijk stabiel zijn, maar ook intens en minder stabiel. Ook de emotionele woordenschat speelt een rol: op het moment dat je je gevoelens genuanceerder kan verwoorden, kan het lijken alsof je meer verschillende emoties ervaart dan iemand die een minder grote emotionele woordenschat heeft.
Sociaal-emotionele ontwikkeling – Sociale ontwikkeling
Sociaal functioneren gaat over de manier waarop een mens relaties met andere mensen aangaat, hoe interactie met anderen plaatsvindt, over vriendschappen, intieme relaties en ook over het moreel redeneren en gedrag, bijvoorbeeld over wat hoort of niet hoort.
De sociale ontwikkeling draagt bij aan de emotionele ontwikkeling en omgekeerd. Om sociaal goed te kunnen functioneren is emotioneel welbevinden nodig, maar emotioneel welbevinden wordt ook weer beïnvloed door de mate waarin en de wijze waarop een mens de kans heeft om sociaal goed te functioneren. Begaafde kinderen lopen soms in hun sociaal functioneren voor op leeftijdgenoten waardoor die aansluiting moeilijk realiseerbaar is een situatie waarin ze functioneren in een leerstofjaarklas. Daardoor kan het zijn dat de leerling minder sociale contacten in die betreffende groep heeft. Soms gaan kinderen dan zoeken naar oudere kinderen, zodat ze een betere cognitieve aansluiting gaan vinden. In andere gevallen zien we soms dat kinderen aansluiting gaan zoeken met jongere kinderen omdat juist deze jongere kinderen nog meer geneigd zijn de leiderschapsrol aan het begaafde kind over te laten. Deze voelt zich daardoor beter erkent en gewaardeerd en dat kan dan op dat moment bijdragen aan een positief zelfbeeld. Dit zijn echter wel vaak ongelijkwaardige relaties die op den duur voor het begaafde kind dan toch weer minder bevredigend zouden kunnen zijn.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Delen
Sociaal-emotionele ontwikkeling – Theory of mind
Theory of Mind gaat over het vermogen je te kunnen verplaatsen in andermans gedachten en beleving. Vanaf ongeveer vier à vijf jaar beginnen kinderen te begrijpen dat anderen iets anders kunnen zien, voelen en beleven dan zij zelf. Kinderen die dat zelf al kunnen, begrijpen op die leeftijd echter niet dat een ander dat nog níet kan. Als kinderen ouder worden leren ze ook het verschil tussen verbale en non-verbale communicatie begrijpen, ze leren dat wat jij zegt en doet ook iets doet met een ander, en hoe je dat kunt beïnvloeden. Theory of Mind is een in hoge mate cognitief construct dat vaak als ‘sterker’ wordt waargenomen, naar mate de intelligentie hoger is, ook in testscores. Begaafde kinderen kunnen op grond van hun hoge intelligentie zo goed redeneren wat er verwacht wordt dat ze ogenschijnlijk het heel goed doen. In de praktijk blijken ze dan niet altijd evenredig te kunnen handelen: dat is dan gewoon leeftijdsadequaat of zelfs zwakker.
Sociaal-emotionele ontwikkeling – Het belang van peers
Over het belang van peers of ontwikkelingsgelijken is in het werkveld van begaafdheid veel geschreven en onderzocht. Met peers bedoelen we gelijkgestemden. Dat kunnen leeftijds- of klasgenoten zijn, maar dat hoeft dus niet: het kan ook een oudere of jongere persoon zijn met dezelfde interesses of raakvlakken. Met ontwikkelingsgelijken bedoelen we kinderen die zich in dezelfde ontwikkelingsfase bevinden. Ook dat kunnen leeftijdsgenoten zijn, maar bij kinderen die zich sneller (of langzamer) ontwikkelen is dat ook niet per definitie het geval.Beide groepen zijn belangrijk voor een evenwichtige ontwikkeling van je zelfbeeld en sociale identiteit. Bij een grofweg normaal lopende ontwikkeling kom je dat in de meeste gevallen wel tegen in de klas of in de buurt, bij de sportclub of een hobby. Bij kinderen die sneller door bepaalde ontwikkelingsfases gaan, kan dat scheef gaan lopen, met name in de kritieke periodes in de sociale ontwikkeling – de voor- en vroegschoolse periode en de pubertijd. Het verschil in interesses en/of ontwikkeling zorgt dan voor een mismatch met kinderen van dezelfde leeftijd, waardoor kinderen zich onvoldoende kunnen spiegelen aan anderen. De peergroup zal dan vanuit de pedagogische context vormgegeven moeten worden.
Hoogbegaafdheid in het VO – Beschikbaarheidsdeficiëntie
Een deficiëntie is een tekort. Een beschikbaarheidsdeficiëntie verwijst in de context van de brochure over begaafdheid in het vo, naar een tekort aan een bepaalde vorm van kennis of vaardigheid waardoor een leerling een taak niet kan oplossen of aanpakken.
Iemand die een scheef beeld heeft van wat begaafdheid inhoud zou dit wellicht vreemd kunnen vinden. Want hoe kan het dan dat een leerling, die toch alles mee zou moeten hebben, iets toch niet kan? Het antwoord is simpel: begaafdheid is niet een synoniem voor alles al kunnen en weten. Het verwijst, aan de cognitieve kant van het leerproces, slechts naar het vermogen van een leerling om zich complexe leerinhouden met behulp van een voor de leerling passende van instructie en ondersteuning in een relatief hoog tempo eigen te kunnen maken. Ergo: de leerling moet kennis en vaardigheden wel kunnen en mogen leren voordat we kunnen verwachten dat de leerling dit ook kan inzetten.
Hoogbegaafdheid in het VO – Productiedeficiëntie
Een productiedeficiëntie verwijst naar een situatie waarin de leerling wel over de juiste kennis en vaardigheden beschikt, maar deze niet altijd op het juiste moment, op de juiste wijze inzet.
Onderzoek van Figg en anderen naar het gebruik van tekstreductiestrategieën door begaafde leerlingen maakte bijvoorbeeld zichtbaar dat bij onderpresterende begaafde leerlingen het niet ging om het niet beschikken over de juiste strategieën, maar over het niet op de juiste wijze inzetten van die strategieën. Daardoor vielen bij onderpresterende begaafde leerlingen in hun onderzoek de prestaties tegen, ten opzichte van de goed presterende begaafde leerlingen.
Hoogbegaafdheid in het VO – Verwachtingspatronen
Bij verwachtingspatronen gaat het erom dat er iets van een mens verwacht wordt op basis van eerder getoond gedrag of eerder geleverde prestaties.
Stel dat een leerling op school heeft laten zien taalkundig heel sterk te zijn, dan kan een leraar op grond daarvan verwachten dat als je deze de leerling een complexe taalkundige opdracht geeft, de leerling deze opdracht goed kan maken. Als de leerling vervolgens bij herhaling laat zien succesvol te zijn bij complexe taalkundige taken, dan groeit er een patroon waarbij de leraar van de leerling deze goede prestatie ook gaat verwachten.
De leerling zelf zal meegroeien in datzelfde verwachtingspatroon en van zichzelf ook die goede prestatie gaan verwachten. Maar sterk zijn op het talige vlak, betekent niet automatisch dat een leerling ook op alle andere vakgebieden datzelfde ontwikkelingspotentieel heeft. Toch kan het zijn dat we dit wel gaan verwachten of dat de leerling denkt dat we dit verwachten.
Als de leerling denkt dat we dit verwachten, maar dit in werkelijkheid niet checkt of dat ook echt zo is, dan is er sprake van een geprojecteerd verwachtingspatroon.
Hoogbegaafdheid in het VO – Conformiteit en individualiteit
Bij conformiteit gaat het erom hoe jongeren zich aanpassen aan de groep of aan wat zij denken dat de groepsnorm van hen verwacht.
Bij individualiteit gaat het erom dat jongeren ook moeten leren om eigen keuzes te maken ondanks dat zij op sommige momenten groepsdruk zullen ervaren. Als kinderen in de puberteit komen worden andere personen dan hun ouders plotseling erg belangrijk. Dit proces zien we vaak al ontstaan gedurende de laatste jaren van het basisonderwijs. De invloed van medeleerlingen neemt dan snel toe.
Aan de ene kant helpt hen dat om zich los te maken van ‘thuis’ en te kunnen verkennen wat hun eigen normen en waarden zijn. Aan de andere kant scheppen die nieuwe omgevingsinvloeden soms ook een verplichtend kader, waarbij jongeren het gevoel hebben daar niet aan te kunnen ‘ontsnappen’, terwijl ze wellicht minder voelen voor het kader dat voor hen opdoemt.
Voor begaafde leerlingen kan dat gevolgen hebben voor de wijze waarop ze al dan niet accenten leggen op hun persoonlijke leerontwikkeling door bijvoorbeeld al dan niet te leren voor hun toetsen, hun projecten in te leveren of door hun potentieel minder zichtbaar te maken voor anderen door bewust lagere prestaties te leveren. Zo kunnen ze kiezen om ‘erbij te willen horen’ maar dan is het gevolg dat hun prestaties afwijken bij de verwachting van de volwassenen in hun bestaan.
Hoogbegaafdheid in het VO – Stressoren
Stressoren zijn factoren die ervoor zorgen dat iemand sterke spanningen of stress ervaart. Deze stressoren kunnen zich overal voor doen in de omgeving van het kind. Bijvoorbeeld op school, wanneer de leerstof niet aansluit op wat het kind nodig heeft. Bij begaafde kinderen kan het zijn dat de leerling ondervraagd wordt omdat de leerstof te eenvoudig is, maar begaafde leerlingen kunnen ook óvervraagd worden. Bijvoorbeeld wanneer zij geen passende instructie op het aanbod krijgen omdat een leraar aanneemt dat de leerling de taak ook zonder instructie moet kunnen uitvoeren.
Stressoren kunnen ook ontstaan als de leerling geen aansluiting ervaart met andere leerlingen of als de leerling gepest wordt. Stressoren kunnen ook door een minder passende thuissituatie ontstaan, waarbij ouders weliswaar zeer hun best doen om aan te sluiten op wat hun kind nodig heeft, maar door omstandigheden daarin toch (onbewust) net iets anders bieden dan wat het kind verder helpt.
Dit zijn allemaal voorbeelden van externe stressoren. Maar er zijn ook interne stressoren. Dat zijn factoren die vooral te maken hebben met het kind zelf, bijvoorbeeld als het kind het idee heeft dat de omgeving iets heel specifieks verwacht, die gedachte niet toetst op juistheid en probeert om aan de onuitgesproken verwachting te voldoen. Bijvoorbeeld: “Mijn leraar geeft nauwelijks feedback op mijn producten, andere leerlingen krijgen veel feedback. Kennelijk vindt mijn leraar mijn opdrachten minder belangrijk dan die van andere leerlingen.” Als die gedachte bij de leerling gaat leven, kan het zijn dat de leerling minder gemotiveerd de taken oppakt, terwijl de leraar wellicht minder feedback heeft gegeven omdat deze al heel tevreden is over de kwaliteit van het door de leerling geleverde werk.











