Wat verstaan we onder… identiteit?

Identiteit is een best ingewikkeld begrip dat we toch veel gebruiken. Want wat is dat nu precies identiteit? Het ontwikkelen van je identiteit is een proces dat alle mensen doormaken. Tijdens dit proces vinden mensen uit wie ze zouden willen worden of zijn, of wie of wat ze juist nooit zouden willen worden of zijn. Het ontwikkelen van je eigen identiteit vereist interactie met de omgeving.
Een veel gebruikte omschrijving van identiteit is “een combinatie van kwaliteiten die maken dat het ene mens zich kan onderscheiden van andere mensen”. Het is een verzameling van “de onderscheidende kenmerken of persoonlijke ontwikkeling als het resultaat van psychologische identificatie”.

Psychologische identificatie is een proces waarin een mens eigenschappen en vaardigheden van een ander zichzelf eigen maakt en aanwendt juist omdat je die eigenschappen in die ander zo waardeert en denkt: “Zo zou ik ook wel willen zijn of willen kunnen handelen.”

Wat verstaan we onder… trauma?

De term trauma gebruiken we als iemand na een ervaring sterke gevoelens van angst, verdriet eenzaamheid of woede ervaart en die gevoelens blijven bestaan, ook als de gebeurtenis al (veel) langer geleden is. Zo’n ervaring is dan voor iemand zo ingrijpend geweest dat het voor die persoon niet mogelijk is om er mee om te gaan.

Onder een t-trauma (een trauma met een kleine t) verstaan we een opeenstapeling van negatieve ervaringen. Bij elk van die ervaringen worden gevoelens van angst, verdriet, boosheid, machteloosheid ervaren. Deze ervaringen hoeven op zichzelf nog niet heel groot geweest te zijn, maar juist door de opeenstapeling van een (langlopende) reeks van dergelijke ervaringen ontstaat er ook een opeenstapeling van de emoties. Het resultaat van die opeenstapeling kan even heftig zijn als het resultaat van een trauma met een grote T.

Schooluitval – Goodness-of-fit

Goodness-of-fit heeft te maken met afstemming tussen individu en de omgeving. In het onderwijs gaat goodness-of-fit om het passend maken van de gehele pedagogische en didactische situatie. Goodness-of-fit betref dan niet alleen het leerstofaanbod of de mate van instructie, maar ook de kansen voor de leerling om onderdeel uit te maken van een veilige sociale en emotionele omgeving. Denk dan bijvoorbeeld aan kansen om ontwikkelingsgelijken te treffen, maar ook aan kansen om op school een vertrouwenspersoon te kunnen vinden. Of een leerling een echte vertrouwenspersoon kan vinden in de school heeft niet alleen te maken met of er iemand is die op zijn deur een bordje met ‘vertrouwenspersoon’ heeft staan.

Begaafde leerlingen zijn gevoelig voor oprechte relaties en kiezen graag zelf de mensen uit die ze vertrouwen. Voor elke begaafde leerling ligt die goodness-of-fit weer net een beetje anders. Er is dus niet zoiets als een set vaste criteria die die goodness-of fit voor elke leerling bepalen. Goodness-of-fit is ook wat anders dan zorgen dat ‘het vooral leuk is’ of zorgen dat de leerling vooral ‘geen tegenwind ervaart’. Het gaat om een zorgvuldige afstemming tussen dat wat de leerling nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen en het antwoord dat de omgeving voor die individuele leerling kan bieden.

Wat verstaan we onder… regievoerder?

Als een situatie rondom een leerling zorgelijk wordt en er tegelijkertijd meerdere personen bij de ondersteuning van de leerling betrokken zijn, is het prettig als een van die personen het vaste aanspreekpunt wordt voor alle betrokkenen. Zo iemand neemt dan de regie. De regievoerder is dan niet alleen een eerste aanspreekpunt, maar zorgt ook dat de communicatie tussen de verschillende partijen soepel blijft verlopen, dat iedereen op de juiste wijze over de juiste dingen wordt geïnformeerd.

Een regievoerder kan ouders ook ontzorgen. Ouders van een leerling die door omstandigheden niet meer naar school gaat of dreigt ui te vallen, hebben vaak al een heel lange weg met hun kind doorgemaakt. Daarbij spelen niet alleen praktische zaken een rol, maar spelen vooral emoties een belangrijke rol waardoor ouders soms ook gewoon even ‘op’ zijn. Op dat moment is het fijn als de regievoerder taken overneemt waardoor ouders ook weer even hun aandacht op andere zaken kunnen richten en hun rol terugschuift van ‘regelaar naar ouder’.

Schooluitval – Crisogene ontwikkeling

Bij een crisogene ontwikkeling ontstaat er een situatie waarbij de balans tussen draagkracht en draaglast wordt verstoord. De draagkracht is het vermogen van het individu om problemen te kunnen oplossen. Die draagkracht verschilt per persoon. De draaglast wordt bepaald door de optelsom van de gebeurtenissen. Ook de draaglast verschilt per persoon. Als er veel opeenvolgende negatieve gebeurtenissen zijn waarin iemand problemen het hoofd moet bieden, dan kan dit tot gevolg hebben dat er teveel gevraagd wordt van de draaglast. Bij een ernstige verstoring van die balans kan een crisis het gevolg zijn.

Een crisis is een noodsituatie waarbij een of meerdere gebeurtenissen het dagelijks leven van een individu zodanig beïnvloeden dat de normale gang van zaken verstoord raakt en iemand daardoor niet meer kan functioneren. In dat geval is er vaak op heel korte termijn hulp professionele nodig.

Schooluitval – Extracurriculaire activiteiten

Dit zijn alle activiteiten die voor leerlingen georganiseerd worden buiten het vaste leerstofaanbod om. Dit kan variëren van speciale projecten, clubs gericht op de cognitieve ontwikkeling of educatieve uitstapjes (denk aan museumbezoek of bijvoorbeeld vanuit het VO mogen deelnemen aan een project op een universiteit) Maar extra-curriculaire activiteiten kunnen ook activiteiten in het sociale domein betreffen.

In geval van begaafde leerlingen wordt bijvoorbeeld peergrouponderwijs veelal als extra-curriculaire activiteit gezien. Het leerstofaanbod binnen peergrouponderwijs bevindt zich zowel inhoudelijk als qua leer- en studievaardigheden veelal buiten de kaders van het reguliere aanbod dat voor alle leerlingen wordt georganiseerd.

Schooluitval – Leerfrustratie

De term leerfrustratie verwijst naar een situatie waarin leerlingen ervaren dat het proces van groei van bewuste onbekwaamheid naar bewuste bekwaamheid gepaard gaat met vallen en opstaan. In dit proces spelen emoties als onzekerheid, leren op een handige manier om de juiste hulp te vragen, omgaan met falen, en het leren vinden van je eigen veiligheid tijdens het leerproces een rol.

Het gevolg van een gebrek aan leerfrustratie is dat, als een leerling daar pas op latere leeftijd voor het eerst mee wordt geconfronteerd, er gevoelens van onvermogen ontstaan om met de situatie om te gaan. Het gevolg kan zijn dat de leerling bij taken die leerfrustatie oproepen taak-vermijdend gedrag zal gaan vertonen. Signalen daarvoor zijn bijvoorbeeld huiswerk ‘vergeten’ mee te nemen, excuses verzinnen voor het niet maken van een taak en in het minst gunstige geval de school als zodanig gaan vermijden om te kunnen ontsnappen aan gevoelens van onmacht.

Het jonge kind – Metacognitieve feedback

Onder metacognitieve feedback verstaan we feedback waardoor de leraar de leerling door vragen te stellen over het handelen van de leerling tijdens het leerproces laat nadenken of de leerling alle stappen op de juiste manier en op het juiste moment heet gezet. Zijn er geen stapjes overgeslagen? Kijk nog eens goed wat je hebt gedaan, lees de opdracht eens hard op, vertel eens in je eigen woorden wat je nu precies moest doen. Dit zijn allemaal voorbeelden waardoor de leerling zicht krijgt op de eigen stappen tijdens het leerproces. Vervolgens kan de leraar het bereikte resultaat samen met de leerling gaan afzetten tegen het verwachtte resultaat. Daardoor ontstaat voor de leerling inzicht in wat er al bereikt is, wat er nog te leren valt en kunnen de vragen van de leraar helpen om de eerst volgende stap in het leerproces te gaan zetten.

Het jonge kind – Ecologie van de leerling

Het begrip ‘Ecologie van de leerling’ is geïntroduceerd voor Van Meersbergen en de Jeninga. Zij baseren zich daarvoor op de theorie van Bronfenbrenner die stelt dat elk mens deel uit maakt van een systeem en dat dit systeem weer van invloed is op ons denken, handelen en dus ook op ons leren. Nu zijn er in het ecologisch model dat Van Meersbergen en Jeninga hanteren veel factoren waar een leraar maar beperkt invloed op heeft. Soms is die invloed zelfs indirect, denk bijvoorbeeld aan sociaal-economische aspecten die beslist van invloed kunnen zijn om de ontwikkeling van een leerling, maar waar je als leraar geen greep op hebt.

Het blijkt voor leraren helpend te zijn om in eerste instantie het concept ‘ecologie van de leerling’ daarom terug te brengen naar factoren en actoren waarop de leraar wel direct invloed kan uitoefenen. In de ecologie van de leerling heeft de leerling uiteraard een centrale plaats. De leraar, het gezin en peers oefenen door hun eigen opvattingen en gedrag direct invloed uit op de leerling. Tegelijkertijd is ook het leerstofaanbod en de leeromgeving van invloed op de leerling. Er is ook sprake van een indirecte invloed op de leerling, want alle factoren en actoren uit die ecologie zijn toch ook weer van invloed op elkaar. Alles hangt met alles samen en dat is tegelijk de kern van het systemisch denken.

Het jonge kind – Bewust onbekwaam

Volgens Maslow verloopt het leren in vier stadia. Van onbewuste onbekwaamheid naar bewuste onbekwaamheid, naar bewuste bekwaamheid tot uiteindelijk onbewuste bekwaamheid. In het stadium van onbewuste onbekwaamheid missen leerlingen bepaalde kennis en vaardigheden en zijn ze zich daar niet van bewust. Ze voelen zich ook (nog) niet gehinderd door dit gebrek aan kennis en vaardigheden. Een rijke leeromgeving stuurt aan om op een vriendelijke manier te ervaren dat er wat te leren valt. Kinderen ontdekken dat ze iets nog niet weten of kunnen en voelen zich daardoor bewust onbekwaam.

Dit is het stadium waarop de leerling gemotiveerd kan raken om die kennis en vaardigheden wel te willen ontwikkelen. Tussen dit stadium en het volgende stadium, de bewuste bekwaamheid, vindt het werkelijke leren plaats. Leren betreft dus per definitie nieuwe kennis en vaardigheden die eigen gemaakt moet worden. Het is normaal dat dit proces met vallen en opstaan verloopt. Het is de fase waarin de zone van naastgelegen ontwikkeling betreden wordt. Door het leerproces ontstaat vaardigheid en inzicht.

Leerlingen ontdekken na oefening dat ze iets weten en iets kunnen en ervaren daardoor bewuste bekwaamheid. In de uitloop van dit proces worden kennis en vaardigheid zo eigen dat leerlingen soms niet meer weten dat ze iets kunnen, tot dat ze gevraagd worden om een taak te verrichten waarvoor die kennis en vaardigheid nodig is. Het terughalen van dit inzicht draagt bij aan een gezond gevoel voor self-efficacy.